Home > Publicaties > Schouten

Stoutenburglezing 2006 door Matthijs Schouten

Van wie is de natuur?

In 1923 schreef de filosoof Martin Buber in zijn boek Ich und Du:

“Ik bekijk een boom.
Ik kan hem als beeld opnemen: een stijf oprijzende pijler, waar het licht tegenop botst, of uiteenspattend groen, waar het zachte blauwzilver van de achtergrond doorheen stroomt. Ik kan hem als beweging waarnemen: de stromende aderen aan het klevende, strevende kernhout, het zuigen van de wortels, het ademen van de bladeren, een eindeloos omgaan met aarde en lucht – en het duistere groeien zelf.
Ik kan hem bij een soort indelen en als exemplaar observeren, naar bouw en levenswijze.
Ik kan de vorm van deze ene boom zozeer loslaten dat ik hem alleen nog erken als uitdrukking van een wet – van wetten, volgens welke tegengestelde krachten gestadig met elkaar in evenwicht komen of van wetten, volgens welke stoffen mengen en scheiden.
Ik kan hem voor eeuwig laten vervluchtigen in een getal, in een zuivere getalsverhouding.
In dat alles blijft de boom mijn object en heeft hij zijn plaats en tijd, zijn aard en gesteldheid.
Het kan echter ook geschieden, tegelijk uit wil en genade, dat ik bij het bekijken van de boom in een relatie ermee wordt opgenomen en dan is hij geen Het meer. De macht van het uitsluitende heeft mij vastgegrepen
.” 1

Bij deze laatste zinnen zou ik even willen stilstaan. De zinsnede “de macht van het uitsluitende” klinkt misschien wat cryptisch. Overigens staat het er in de Duitse tekst letterlijk zo: “Die Macht der Ausschliesslichkeit hat mich ergriffen.” Waar Buber op doelt is dat bij het beschouwen van de boom de subjectieve beelden, concepten en referentiekaders die normaal tussen het waarnemend zelf en het waargenomen object – tussen het ik en de boom – staan, even wegvallen. De boom is niet langer een object. Er is dan, in de filosofie van Buber, een ervaring van wederkerigheid. Waarnemer en waargenomene verbinden zich in ‘zijn’.

De Chinese taoïsten zouden hier spreken van qiyun, hetgeen zoiets betekent als ‘samenklank met de levensadem’. De Zen-filosoof Daisetz Suzuki spreekt over “the snapping of the egoboundaries.” 2 Andere Zenmeesters spreken over het ervaren van de allesdoordringende ‘Boeddha-natuur’.

Waar met al deze termen naar verwezen wordt, is een ervaring die kan optreden wanneer we onszelf bij het beschouwen van de buitenwereld even totaal kunnen vergeten en we plotseling getroffen worden door het wonder van het bestaan, het mysterie van zijn. Kenmerkend voor deze ervaring is – zo laten alle taoïstische wijzen, alle Zenmeesters, en ook Martin Buber weten – dat ze begeleid wordt door een diep gevoel van welzijn en dit leidt op zijn beurt weer tot een open, liefdevolle welwillendheid; een welwillendheid die tegelijk de buitenwereld en het zelf omvat.

Zo, en dat alles bij het bekijken van een boom! Toen ik deze passage uit Buber’s werk min of meer zoals op de hierboven beschreven wijze met mijn Wageningse studenten behandelde, mompelde een van hen: “Het moet wel een verdomd grote boom geweest zijn.”

De opmerking van deze student getuigde niet alleen van humor, maar liet ook nog iets anders zien. In onze cultuur voelen we ons doorgaans wat ongemakkelijk bij beschrijvingen van natuurervaringen zoals Buber die geeft. Er kleeft voor ons een aura aan van zweverigheid, sentimentaliteit, mystiekerigheid en eccentriciteit. Buber wordt dan ook vaak gezien als een mystieke filosoof, soms zelf als een zwever. Het is ook niet voor niets dat ik me zojuist heb moeten bedienen van Chinese en Japanse filosofische begrippen. Wij hebben op dit terrein geen uitgebreid begrippenapparaat ontwikkeld.
Voor het taoïsme en voor het Chinese Chan (het latere Japanse Zen) vormen dit soort natuurervaringen geen uitingen van sentimenteel gezwijmel maar zijn het juist expressies van diep inzicht. Het doorbreken van het gevoel van een op zichzelf staand, afgescheiden zelf – een gevoel dat volgens het taoïsme en boeddhisme slechts een illusie is – vormt de hoogste vervulling van menszijn. En de meditatieve beschouwing van de natuur is volgens veel meesters het middel bij uitstek om de ego-illusie op te heffen. De hele Oost-Aziatische kunst getuigt daar ook van. De grootste werken hebben vaak de natuur als onderwerp en zijn van de hand van kunstenaars die tevens een religieus leven leidden. Meditatie, natuur en kunst zijn in deze werken volmaakt verenigd. Te proberen zichzelf te vergeten in de ervaring van de natuur is voor taoïsme en Zen geen zweverigheid, maar oefening in het ontwikkelen van de hoogste wijheid. Zeer kernachtig wordt dat uitgedrukt in een haiku die de grote Japanse monnik en dichter Matsuo Basho in de zeventiende eeuw schreef:

herderstasje

Wanneer je goed kijkt –
bloeit er een herderstasje
onder de heining!

De dichter kijkt, zoals de zen-geleerde Daisetz T. Suzuki in 1960 uiteenzet in zijn Lectures on Zen Buddhism 4, op zo’n manier dat het plantje zichzelf als het ware kan laten zien. En dan gebeurt er iets in Basho’s geest. In de woorden van Suzuki: “Hij voelt het gehele mysterie dat door dit nederige plantje onthuld wordt - het mysterie dat aan de bron ligt van al wat bestaat. Hij raakt bedwelmd door dit gevoel en hij uit het dan in een woordenloze, onhoorbare kreet.” Want in het gedicht dat Basho over deze gebeurtenis schrijft, geeft hij niet in woorden aan wat hij ervaren heeft. Hij drukt het uit in de twee lettergrepen waarmee de haiku eindigt: kana. Dit partikel, dat vaak vertaald wordt met een uitroepteken, geeft een gevoel van verwondering, bewondering, vreugde en ontroering weer:

De natuur als het andere en het eigene

U merkt dat ik me op het pad heb begeven van de vergelijking tussen oosterse en westerse opvattingen over de natuur. Ik zal nu uiterst voorzichtig moeten zijn, want veel van wat hierover gezegd en geschreven is, is niet vrij van vooroordeel. Oosters is een woord met gevoelswaarde: voor sommigen heeft het oosten alles te bieden waar het westen in te kort geschoten is, bij anderen zweemt alles wat oosters is naar griezelig esoterisme. Eén ding kan echter – zo lijkt mij – in alle objectiviteit gesteld worden: de culturen uit Azië waren en zijn, meer dan wij dat gewend zijn, getroffen door en geïnteresseerd in de overeenkomsten tussen mens en natuur, tussen het menselijke en het natuurlijke. Uiteraard worden er ook veel verschillen gezien, maar er wordt tegelijkertijd veel betekenis gehecht aan dat wat overeenkomt. Mens en natuur, cultuur en natuur zijn daarmee geen wezenlijk van elkaar gescheiden entiteiten.

Het in heel Azië aanwezige beeld van samsara, de kringloop van dood en wedergeboorúte, laat dat al onmiddelijk zien. De karmische reis van elk levend wezen kan volgens zowel het hindoeïsme als het boeddhisme langs een groot deel van de scala naturae voeren (als ik deze Aristotelische term even mag gebruiken). Het bestaan als mens is slechts één van de vele zijnsmogelijkheden in de karmische Werdegang van elk levend wezen. De Jataka’s, de uiterst populaire verhalen over de vorige levens van de Boeddha, laten zien dat zelfs iemand die op weg is een Boeddha te worden, reïncarnaties als dier kan hebben (al betreft het dan wel altijd dieren die uitermate liefdevol en mededogend zijn, hetgeen soms volledig tegen het instinct van de betreffende soort ingaat). In samsara, in de kringloop van dood en wedergeboorte, zijn mens en natuur daarom onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Wanneer, zoals dat al meer dan 2.500 jaar lang elke dag opnieuw in boeddhistische kloosters gebeurt, de woorden van de Boeddha “Sabba satta bhavantu sukkhitata” gereciteerd worden – “mogen alle levende wezens gelukkig zijn” – dan richt deze heilswens zich niet alleen naar de medemens, maar naar alle wezens die kunnen voelen. Want wat de Boeddha ten diepste raakte, was het gegeven dat alle wezens die zintuigen hebben, getroffen kunnen worden door pijn en lijden. De ervaringswereld van de mens wijkt daarin niet wezenlijk af van de ervaringswereld van vele andere schepselen.
Soms wordt er in Azië zelfs geen scherp onderscheid gemaakt tussen de zijnssfeer van de mens en de zijnssfeer van wat wij de levenloze natuur zouden noemen. Een jaar geleden reisde ik door Ladakh met een vriend die een ervaren bergbeklimmer is. Terwijl mijn vriend al vanaf de eerste dag last kreeg van hoogteziekte, had ik zelf geen enkel probleem. En dat terwijl ik bepaald geen sportief type ben en ook nooit eerder op dergelijke hoogten geweest was. Na enkele dagen kreeg oze gids genoeg van de nooit ophoudende discussies over waarom een van ons zich niet goed voelde en de ander wel en hij sprak de verlossende woorden: “Very simple: no altitude disease, then mountains accept you!”

Het is – zo lijkt mij – een kenmerkend gegeven in de natuuropvattingen van de Aziatische culturen, dat de natuur zowel het andere als het eigene vertegenwoordigt. De wereld van de natuur en het menselijke domein zijn niet hetzelfde, maar er zijn wel allerlei aspecten in de natuur waarin de mens zichzelf herkent. Daarmee is de natuur de mens niet vreemd, maar ze staat ook weer zo op zichzelf dat ze hem niet toebehoort. Of anders gezegd: de natuur is net zoveel van de mens als de mens van de natuur is. De natuur wordt daardoor nooit tot object; ze is eerder een mede-subject, een deelgenoot in het zijn. De zenmeester Thich Nhat Hanh spreekt hier over “interbeing”. 5

Ik denk dat dit de reden is waarom men in de taoïstische en boeddhistische omgeving altijd zoveel waarde gehecht heeft aan de aandachtige beschouwing van de natuur. Want precies in deze positionering van het andere én het eigene biedt de natuur bij uitstek de mogelijkheid de grenzen van het eigen zijn te doorbreken. Doordat men dat wat van de mens is – het eigene – in de natuur herkent, kan men zich met haar verbinden. Tegelijkertijd kan ze door haar anders zijn nooit een verlengstuk van het narcistisch ego worden. En precies in dit spanningsveld kan het dan gebeuren dat – tegelijk uit wil en genade – dat de natuur geen Het meer is, maar dat men in een relatie ermee wordt opgenomen. Dan maakt “het uitsluitende” zich kenbaar en wordt men getroffen door het wonder van het bestaan.

De natuur als het andere

Mag ik u na deze filosofische tocht door Azië meenemen naar Ierland, naar het zuidwesten van het graafschap Mayo. Hier ligt een ook nu nog tamelijk verlaten kuststreek, Dooaghtry genaamd. U vindt er een oud duingebied dat langzaam weggeslagen wordt door de Atlantische Oceaan. Op één plek in het afkalvende duingebied komen menselijke beenderen aan het oppervlak. Bij hoog water kunt u er, zoals de botanicus Praeger dat in zijn befaamde boek The Way that I Went uitdrukte “the rattling of bones” horen.6 In het verleden werden op deze plaats aangespoelde drenkelingen begraven in een naamloos graf.

In hetzelfde Ierland zult u op topografische kaarten zeer vaak de aanduiding killeen tegenkomen. Wanneer u de desbetreffende plaatsen opzoekt, staat u meestal op een nogal afgelegen plek in het landschap. Soms vindt u er wat rechtop in de grond geplaatste stenen. Vaak is er echter niets te vinden dat de plek doet afwijken van zijn omgeving. Het woord killeen verwijst naar een begraafplaats voor ongedoopte kinderen. Eeuwenlang werden in Ierland kinderen die stierven voordat ze door de doop in de schoot van de moederkerk waren opgenomen, te rusten gelegd aan de rand van de wildernis, ver van de bewoonde omgeving.

Ik beschrijf u deze begraafplaatsen omdat ze niet alleen iets zeggen over de wijze waarop men in Ierland de onbekende schipbreukeling en het ongedoopte kind zag, maar ook over de wijze waarop men naar de natuur keek. De vreemdeling - vreemd aan de eigen samenleving, vreemd aan de heilige kerk - werd te rusten gelegd in de wilde natuur. Daarmee staat de natuur symbool voor datgene wat buiten het eigen domein ligt. De natuur is het andere, het vreemde zelfs.

In de geschiedenis van onze cultuur is dát vooral de manier waarop de natuur beschouwd werd: als datgene wat buiten de wereld van de mens, buiten de cultuur, ligt. Natuur en cultuur staan vaak zelfs onverbiddelijk tegenover elkaar.

Het begint al in Mesopotamië. De held en krijger Gilgamesj, uit het gelijknamige epos, eist het recht op om over de stad Uruk te heersen, door het maken van een tocht naar het verre Cederwoud en door te dringen tot het hart ervan en daar de bewaker van het bos, Humbaba, te doden. Cederwoud en Uruk – natuur en cultuur – zijn hier antagonisten. Plato laat Socrates in de dialogen uit de Phaedrus zeggen: “Van het landschap en de bomen kan ik niet leren, van mensen in de stad wel.” Aristoteles gebruikt het woord hyle wanneer hij de chaos aanduidt die voorafgaat aan alle vorm, ordening en doelmatigheid. Letterlijk betekent dat woord ‘woud’. Dit zegt iets over het beeld dat Aristoteles had van de wilde natuur.

Voor de Middeleeuwer vertegenwoordigde de wilde natuur de wereld buiten de hof van Eden, onttrokken aan de goddelijke wetten, vol duistere krachten. Een omgeving waarin op zijn hoogst een werkelijk heilige, iemand die zijn innerlijke wildernis geheel overwonnen had, het uit kon houden. In de zeventiende eeuw, wanneer orde en regelmaat tot cultureel ideaal verheven worden, staat de wilde natuur symbool voor wanorde en lelijkheid. Een reiziger uit die tijd beschrijft het grensgebied van Engeland en Schotland en het Lake district als vol “vreselijke hoogvlakten, afgrijselijke woestenijen, walgelijke watervallen, verschrikkelijke rotsen en gruwelijke afgronden.” Anderhalve eeuw later staat het gevoel volledig om. De romanticus vereert de natuur, vergoddelijkt haar zelfs. Maar de zo gezochte vereniging met de verheerlijkte natuur wordt nooit echt gevonden. De romanticus blijft weemoedig en verlangend opgesloten in het eigen zijn. Hij blijft een eenzame wandelaar in een grootse natuur, die toch altijd onbereikbaar, toch altijd het andere blijft.7

Uiteraard waren er in de geschiedenis van onze cultuur dissidenten die in mens en natuur geen wezenlijk verschillende entiteiten zagen. Pythagoras, Franciscus, Spinoza, Friedrich von Schelling, Alfred North Whitehead, David Bohm, Arne Naess.... Maar het bleven dissidenten. In de hoofdstroom van ons denken bleven natuur en mens, natuur en cultuur, scherp van elkaar gescheiden. De natuur begon waar de cultuur eindigde.

De natuur als ding

In deze rol van het andere, van datgene waarin niets eigens besloten ligt, kon de natuur gemakkelijk tot object worden. Geen mede-subject, geen deelgenoot in zijn, maar slechts ‘ding. Een ding, een object, waarop de mens bovendien recht kon doen gelden. Om reden van datgene wat hem bij uitstek onderscheidt van de natuur: de ratio, zo zouden Aristoteles en de stoïcijnse filosofen zeggen. Omdat God de natuur voor de mens geschapen heeft, zo zou de christelijke traditie beweren. Of omdat – zoals de neodarwinisten stellen – dat nu eenmaal hoort bij de strijd om het bestaan en de mens (althans voorlopig) de biologische winnaar is gebleken in de ‘survival of the fittest’.

Volgens zulke redeneringen is niet meer dan ‘natuurlijk’ dat de mens zich de natuur toeëigent, om haar – in de woorden van Descartes – als was te kneden totdat een zo groot mogelijke bruikbaarheid bereikt is. Het omvormen van de natuur tot dienstbaarheid, met andere woorden het in cultuur brengen van de natuur, is in deze opvattingen een menselijk recht.

Het andere beschermd

Er werd gekneed, omgevormd en gecultiveerd todat er uiteindelijk nog maar zo weinig van het echt andere, het buiten de cultuur gelegene, overbleef dat er een tegenreactie moest ontstaan. En in de tweede helft van de 19de eeuw werd de natuurbescherming geboren. De klassieke natuurbescherming komt echter in wezen ook niet los van utilitaire uitgangspunten. Wanneer Abraham Lincoln in 1864 een wetsontwerp tekent waarin de Sequoiabossen van Yosemite worden toegewezen aan de staat Californië, doet hij dat, zo zegt de tekst van het wetsontwerp, “ten behoeve van het volk voor ontspanning en recreatie.”

In ons land werd de natuurbescherming aanvankelijk eveneens sterk gedragen door het uitgangspunt dat ook niet in cultuur gebrachte gebieden, zogenoemde woeste gronden, een bepaalde waarde voor de mens hadden en dat daarom delen ervan bewaard moesten blijven. Woeste gronden waren van belang voor de wetenschap; in de documenten uit die tijd wordt gesproken van “natuurwetenschappelijke waarde.” Ze hadden ook een esthetische betekenis; men kan er genieten van wat men in die tijd “natuurschoon” noemde. De beschermingswaarde van natuur werd duidelijk gekoppeld aan nutsfuncties.

Vanaf het begin van de vorige eeuw werden in ons land reservaten gesticht waarin men de min of meer wilde natuur beschermde tegen ontginning. In deze terreinen werd geen actief beheer toegepast. De natuur zorgde daar voor zichzelf.

Overigens bleef de natuur lange tijd ook in het gecultiveerde landschap haar gezicht tonen. Uit de oude agrarische landschappen was het natuurlijke beslist nog niet geheel verbannen. Met hun heiden, schraallanden, dotterbloemhooilanden en rietlanden vertoonden ze nog altijd een grote rijkdom aan wilde planten- en diersoorten en levensgemeenschappen (we zijn dan ook gaan spreken van van half-natuurlijke of half-wilde landschappen). In de loop van de twintigste eeuw werd door de intensivering van de landbouw echter ook de half-wilde natuur in ons land steeds verder teruggedrongen. In de tweede helft van die eeuw werden er dan ook meer en meer reservaten opgericht waarin dit soort natuur beschermd werd. In deze terreinen werden de traditionele landbouwpraktijken zoals maaien, begrazen, branden en plaggen gecontinueerd als beheersmaatregelen. Van natuurbescherming gingen we zo over naar natuurbeheer.

Maar het landgebruik in Nederland intensiveerde verder. En ten slotte bleven ook de natuurreservaten - de exclaves binnen onze cultuur - niet langer gevrijwaard van schadelijke menselijke invloeden. De reservaatnatuur kreeg in toenemende mate te lijden van de gevolgen van verdroging, verzuring, vermesting en versnippering. Soorten en levensgemeenschappen begonnen ook in de beschermde terreinen achteruit te gaan. Er ontstond grote bezorgdheid over de toekomst van natuur en milieu. Deze bezorgdheid was niet beperkt tot Nederland. Wereldwijd was men zich bewust geworden van een snelle achteruitgang van soorten, ecosystemen en kwaliteit van het milieu; men was zelfs gaan spreken van een ecologische crisis of van een milieucrisis. Er ontwikkelde zich nationaal en internationaal een heftig debat over de waarden van natuur en over de verstoorde relatie tussen mens en natuur. De discipline van de milieufilosofie werd geboren. Veel ecologen en filosofen legden de nadruk op de instrumentele waarden van de natuur, dat wil zeggen op de functies die de natuur heeft voor het menselijk welzijn. De slogan “natuurbehoud is zelfbehoud” gaf uitdrukking aan dit uitgangspunt. Anderen echter gingen uit van een intrinsieke waarde van de natuur, dat wil zeggen de waarde die de natuur heeft op en voor zichzelf, onafhankelijk van de functies die ze voor de mens vervult.

In de discussies over de verhouding tussen mens en natuur ontwikkelden zich allerlei nieuwe gezichtspunten. Zo brachten de zogenoemde “diepte-ecologen” de opvatting naar voren dat elk mens een persoonlijke ontwikkeling moet doormaken waarin hij de scheiding die normaal ervaren wordt tussen de menselijke en niet-menselijke werkelijkheid opheft door zichzelf te identificeren met de aarde, de natuur en de kosmos. In dit proces van zelfverwerkelijking door identificatie ontstaat als vanzelf ook mededogen met al het levende. De diepte-ecologische beweging was niet alleen geïnspireerd door oosterse tradities en door westerse denkers als Spinoza en Heidegger, maar ze maakte ook gebruik van bepaalde ontwikkelingen in de wetenschap, met name in de kwantumfysica.

De herbezinning op de waarde van de natuur en op de relatie tussen mens en natuur leidde nationaal en internationaal tot nieuwe benaderingen in het natuurbeleid. In het Nationale Natuurbeleidsplan8 uit 1990 wordt de intrinsieke waarde van natuur expliciet genoemd en staat het concept van een Ecologische Hoofdstructuur centraal: een samenhangend, ecologisch netwerk dat een duurzame overleving van soorten en ecosystemen in Nederland moet garanderen.

Even leek het erop dat er een wezenlijke herbezinning op onze verhouding met de natuur ingezet was en dat er zich, zoals de jonge Marx dat ooit uitdrukte, “een humanisering van de natuur en een naturalisering van de cultuur” begon te voltrekken. Even leek het erop dat de natuur niet langer alleen maar het andere vertegenwoordigde, maar ook het eigene kon worden. Niet langer object, een ‘Het’, maar deelgenoot, mede-subject.

Het verstomde debat

En toen verstomde het debat. Het zal u opgevallen zijn dat natuur geen hot item meer is. In de vele politieke en maatschappelijke discussies die in de afgelopen jaren plaatsvonden is het woord natuur nauwelijks gevallen, ook niet bij de ‘groene’ partijen.
Het debat is verstomd in een tijd waarin duidelijk begint te worden dat alle inspanningen in het natuurbeheer de achteruitgang van de kwaliteit van de natuur in Nederland, dat wil zeggen de achteruitgang in de variatie aan levensgemeenschappen en soorten, niet tot stilstand hebben kunnen brengen. Kort geleden verscheen de Natuurbalans 2006 waarin het Milieu- en Natuurplanbureau de huidige toestand van de natuur in Nederland evalueert.9 Het document laat zien dat de intensieve maatregelen genomen door terreinbeherende organisaties er weliswaar voor gezorgd hebben dat de afname van de biodiversiteit sedert kort minder snel verloopt dan in de twintigste eeuw, maar er is nog steeds een achteruitgang. De natuur takelt nog steeds verder af.

Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de versnippering van de natuur nog niet is opgeheven (de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur loopt zelfs achter op schema), het antiverdrogingsbeleid niet goed functioneert en in allerlei natuurgebieden de stikstofdepositie nog te hoog is. Met andere woorden, het natuurbeleid van de overheid levert niet de beloofde en verwachte resultaten. We kunnen zelfs onze internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, Biodiversiteitsverdrag) niet nakomen. Toch leiden de conclusies van de Natuurbalans niet tot maatschappelijke protesten; het document krijgt zelfs nauwelijks aandacht.
Dit verbaast me zeer. Want in een NIPO-enquete die enkele jaren geleden uitgevoerd werd, bleek 79 procent van de Nederlanders zoveel waarde aan natuur te hechten dat ze vonden dat er zelfs in tijden van economische achteruitgang in natuur geïnvesteerd diende te worden.

Waarom blijft het dan zo stil rond het thema natuur?

Het eerste wat men zich af kan vragen is of de burger zich wel realiseert dat het niet zo goed gesteld is met de Nederlandse natuur. Het zou interessant zijn een experiment uit te voeren en één dag lang in de Kalverstraat iedere voorbijganger de vraag te stellen: “Hoe denkt u dat het gaat met de natuur in Nederland?” Het zou mij niet verbazen als de overgrote meerderheid zou antwoorden: “Goed toch?”

Ik denk wel eens dat de natuurorganisaties dit ten dele aan zichzelf te wijten hebben. Aan het begin van de jaren negentig moesten de instanties die zich inzetten voor natuur, concluderen dat de vele doemscenario’s die in de decennia daarvoor geschilderd waren, bij het grote publiek een zekere moeheid hadden opgeroepen. De beelden van stervende bossen, vergiftigde rivieren en dode zeeën hadden steeds minder impact. Om de maatschappelijke interesse voor de zaak van de natuur levend te houden, leek het beter de aandacht te verschuiven naar de behaalde successen. Er verschenen meer en meer positieve verhalen: de Zilveren maan vloog weer in onze natuurterreinen; de bever zwom weer in Nederlandse wateren; door de natuurontwikkeling ontstond de ene nieuwe wildernis na de andere. Deze vloed van op zichzelf verheugende berichten lijkt het grote publiek geleidelijk het gevoel te hebben gegeven dat het weer beter gesteld is met de natuur in Nederland.

Wellicht heeft ook het door de overheid sedert 1990 geformuleerde beleid geruststellend gewerkt. We hebben een Nationaal Natuurbeleidsplan, een Overlevingsplan Bos en Natuur, soortbeschermingsplannen. Dit beleid – zo werd ons beloofd – zal ertoe leiden “dat in 2018 voor alle in 1982 in Nederland van nature voorkomende soorten en populaties de condities voor instandhouding duurzaam aanwezig zullen zijn.” 10
En de goede berichten uit het natuurbeheer suggereren dat dit zal gaan lukken. Dan is het niet zo verwonderlijk dat veel mensen zich niet zo druk meer maken over de natuur, want men verwacht dat het allemaal wel goed zal komen. Dit zou ook kunnen verklaren waarom Nederlanders minder geld is gaan geven aan natuurdoelen: de giften daalden sinds 1999 met 60 miljoen Euro! 11

Maar misschien heeft de afgenomen maatschappelijke belangstelling ook nog een andere oorzaak. Het beeld is ontstaan dat we alles in de natuur kunnen repareren. Sterker nog, we schijnen natuur te kunnen maken. In de natuurontwikkelingsprojecten verschijnen op plekken waar tot voor kort koeien graasden op ingezaaide en zwaar bemeste weilanden weer gemeenschappen van wilde planten en dieren. Het beeld van de maakbaarheid van de natuur komt onder meer naar voren in het natuurcompensatiemodel dat ervan uitgaat dat natuur die op de ene plek verloren gaat op een andere plaats wel weer vervangen kan worden. Men ziet echter over het hoofd dat we lang niet altijd de schade aan natuurterreinen kunnen herstellen, en al zeker niet zolang de natuur versnipperd blijft, de stikstofbelasting te hoog blijft en het antiverdrogingsbeleid niet goed van de grond komt. Men ziet ook over het hoofd dat we allerlei typen natuur die we vanouds in ons land hebben, niet zomaar weer kunnen doen ontstaan wanneer we ze eenmaal verloren hebben. Een hoogveen bijvoorbeeld brengen we niet gemakkelijk terug. De natuur zelf had 10.000 jaar nodig voor de ontwikkeling ervan.

Maar nu eenmaal het beeld ontstaan is van de maakbaarheid van de natuur en de natuur bijna als product gezien wordt, moet men er zich niet over verbazen dat bij de burger de zorg voor de natuur afneemt. Als een stuk natuur ergens verloren gaat dan maken we het gewoon elders toch weer opnieuw, zo zullen veel mensen denken.

Ten slotte kan men zich ook nog afvragen wat 79 procent van de Nederlanders met natuur bedoelen wanneer ze vinden dat er ook in tijden van economische achteruitgang in natuur geïnvesteerd dient te worden. Bedoelen ze dan de natuur waarover de natuurbeherende organisaties en het natuurbeleid spreken of bedoelen ze wandelnatuur, fietsnatuur, mountainbikenatuur, paardrijnatuur, speelbossen, spartelvijvers, recreatieterreinen? Uiteraard is het fantastisch dat zo veel Nederlanders in de natuur recreëren. Alleen al de terreinen van Staatsbosbeheer ontvangen jaarlijks 100 miljoen bezoeken!

Mensen kunnen slechts dan een relatie met de natuur opbouwen wanneer ze er ook daadwerkelijk komen. Maar misschien zijn we in de ‘vermaatschappelijking’ van dat natuurbeheer wel te ver doorgeschoten. In de afgelopen jaren hebben terreinbeherende organisaties om het maatschappelijk draagvlak voor hun werk te vergroten de recreatieve functies van de natuur enorm benadrukt. Ik heb daar op zichzelf niets op tegen, maar ik vrees dat langzaam het beeld gaat ontstaan dat we natuur vooral of geheel ten behoeve van de recreatie in stand houden. Dan wordt de natuur uiteindelijk niet meer dan het decor voor leuke activiteiten. Dit beeld lijkt zich daadwerkelijk te ontwikkelen: recent onderzoek onder jongeren in Nederland laat zien dat de huidige jongeren tussen 14 en 18 jaar zich weliswaar zorgen maken over de natuur, maar dan meer over de afnemende fysieke ruimte voor natuur dan over de rijkdom aan planten- en diersoorten. Zij vinden natuur vooral van belang om te recreëren en te sporten. En ze doen dat het liefst op aangelegde recreatieterreinen en in attractieparken. 12

Daarom, als 79 procent van de Nederlanders vindt dat we in natuur moeten investeren, bedoelen ze dan dat we moeten investeren in recreatieparken? Of bedoelen ze dat we moeten investeren in groen? Want tegenwoordig lijkt alles wat groen is natuur te gaan heten. In de ruimtelijke ordening wordt alles wat niet onder asfalt ligt of deel uitmaakt van de intensieve landbouw, natuur genoemd. De groene aankleding van stadsuitbreidingen wordt natuur genoemd; de groenstroken naast infrastructurele werken staan op de kaart als natuur; elke populierenaanplanting heet natuur.

Het natuurbegrip lijkt enorm te vervagen. Dat is eigenlijk ook niet zo vreemd. Want veel mensen kunnen nauwelijks meer in contact treden met een gevarieerde en rijke natuur. In ruimtelijke zin is er een steeds scherpere scheiding ontstaan tussen gebieden met een zogenoemde natuurfunctie (de natuurreservaten) en gebieden met andere functies, zoals landbouw en huisvesting.
Het landschap buiten de reservaten bevat steeds minder natuurlijke elementen; het wordt in zekere zin een natuurwoestijn. Die mensen die niet in beschermde natuurterreinen komen, kunnen zich dan ook nauwelijks een referentie van natuur vormen. En let wel, in 1995 kwam nog ongeveer 35 procent van de jongeren in Nederland minstens éénmaal per jaar in een natuurgebied, in 1999 was dit al weer gedaald naar 30 procent.13 Voor de overige 70 procent zou inderdaad alles wat groen is gelijk kunnen staan aan natuur. Het groen in de stad, de struiken naast de snelweg, zelfs een wei met koeien......Of

Dames en heren, ik maak me grote zorgen.

Even leek het erop dat juist in ons land de natuur uit haar oude positie van object, van ding, zou kunnen treden. Niet langer een ‘Het’, niet langer alleen maar het andere, maar het andere én het eigene. De natuur als deelgenoot, als mede-subject.

Maar het begint er nu op te lijken dat de natuur van het andere helemaal het eigene is geworden, en dan niet het eigene in de zin van het herkenbare, het verwante, maar het eigene in de zin van commodity, maakbaar goed, consumptieproduct zelfs. De natuur als aantrekkelijke recreatieruimte, als prettige groene aankleding, te bestellen naar smaak en behoefte. Dan hebben we geen verweving van natuur en cultuur, maar dan is de natuur volledig opgeslokt door de consumptiecultuur. Ze is Wehkampcatalogusnatuur geworden.
Ik chargeer een beetje en ik hoop ongelijk te hebben, maar ik vrees dat als we niets doen we wel die richting uitgaan. Maar wat zouden we kunnen doen?

Nieuwe strategieën

Allereerst denk ik dat natuurorganisaties veel meer lawaai moeten gaan maken over de toestand van de natuur. Het offensief van goede berichten mag wel weer eens vervangen worden. Niet door doemscenario’s, maar we moeten wel laten zien wat er werkelijk aan het gebeuren is en hoe de natuur er over enkele decennia uit zal zien als de trend niet gekeerd wordt. In ieder geval moeten we proberen bij de burger een gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid te stimuluren. Misschien moeten de natuurbeherende organisaties een soort ‘referendum’ houden om Nederland wakker te schudden. Elke Nederlander krijgt een brief thuis gestuurd waarin de gezamenlijke organisaties uitleggen dat ze met de huidige investeringen in natuur en met de wijze waarop momenteel het natuur- en milieubeleid geïmplementeerd wordt, niet in staat zullen zijn de hele variatie in de nederlandse natuur te behouden. De Nederlanders moeten dan zelf maar beslissen wat ze voor altijd verloren willen laten gaan: de nachtegaal of de koekoek, de heiden of de duinen, stilte of schone lucht......Wellicht wordt zo het individuele verantwoordelijkheidsgevoel weer aangesproken. Het lijkt me van essentieel belang dat mensen zich ervan bewust worden dat het achteruitgangsproces zich niet onafhankelijk van hen voltrekt. De natuur takelt verder af omdat we daar uiteindelijk met zijn allen voor kiezen.

Misschien moeten we ook de ruimtelijke ordening in Nederland op een ander leest schoeien. Op het moment verdelen we de ruimte op functionele basis en de verschillende functies worden sterk gescheiden. Dit leidt tot een scherpe tweedeling in areaal met het primaat natuur (het begrenzingsgebied van de Ecologische Hoofdstructuur) en een ‘natuurwoestijn’ daarbuiten.

Ik stel een andere ruimtelijke verdeling voor, geënt op de oude Indiasche benadering van bos. Tot in de vorige eeuw onderscheidde elk dorp in India drie typen bos in de omgeving van de nederzetting. Er was de Mahavan, het sanctuarium. Dit bos behoorde de natuur geheel toe. Geen mens werd geacht het te betreden. Dan was er de Tapovan, het bos der wijzen. Dit was het gebied waarin diegenen die in afzondering het spirituele pad wensten te gaan, zich terugtrokken. De heremieten die hier hun heil zochten, mochten het bos echter geen schade toebrengen. Ten slotte was er de Shrivan, dat wat wij het multifunctionele bos zouden noemen. Men oogstte er hout en vruchten en plantte er nieuwe bomen aan. Tegelijkertijd vonden allerlei wilde planten en dieren er een tehuis.14

Laten we in Nederland enkele Mahavan-gebieden aanwijzen: natuurterreinen die niemand meer mag betreden, zelfs geen biologen of natuurbeheerders. Ik kan me voorstellen dat zulke vrijplaatsen voor natuur sterk tot de verbeelding zullen gaan spreken. Het worden plekken die “geen oog heeft gezien” en die ons er voortdurend aan zullen herinneren dat we de natuuur niet bezitten. Het hoeven geen grote gebieden te zijn, al zouden we wel veel problemen oplossen wanneer we een groot deel van de Waddenzee als Mahavan zouden gaan beschouwen. Overigens is dit idee niet nieuw. Onder meer de kunstenaar Herman de Vries, Thomas van Slobbe van de Stichting wAarde en Harm van der Wal ontwikkelden vergelijkbare initiatieven.

De natuurreservaten, in een samenhangend, functioneel ecologisch netwerk, vormen dan de Tapovan. Hier proberen we de vanouds in ons land aanwezige ecosystemen te behouden en ontwikkelen we nieuwe natuur. In dit ‘bos der wijzen’ kunnen we onszelf herscheppen (recreëren), kennis en inzicht opdoen (via kunst en wetenschap) en wijsheid doorgeven (via educatie).

De rest van Nederland wordt Shrivan: vervlechtingsgebied van natuur en menselijke activiteiten (landbouw, huisvesting, infrastructuur). Zo laten we aspecten van de natuur doordringen tot in onze directe leefomgeving, tot in onze achtertuin.Er zijn al allerlei ontwikkelingen op dit gebied, zoals agrarisch natuurbeheer en projecten die zich richten op natuur bij de stad. Maar deze dienen sterk uitgebreid te worden. Als we dan toch alles wat groen is, natuur gaan noemen, laten we er dan ook voor zorgen dat alle groen meer natuurlijk wordt: meer natuurlijke elementen in het agrarisch landschap, in wegbermen, in stadsparken en op stadspleinen, op speelplaatsen. En laten we bij de inrichting en vormgeving van zulke elementen het publiek sterk betrekken. Dan wordt natuur weer deel van de dagelijkse leefwereld en is ze niet langer een verre werkelijkheid achter de omheining van reservaten.

Ten slotte, laten we elke school een stuk natuur ter adoptie geven. Ik vrees namelijk dat we de aansluiting bij de volgende generatie aan het verliezen zijn. Niet alleen komen jongeren, zoals gezegd, steeds minder in contact met de natuur, maar ze leren er op school ook nog maar weinig over.15 En wat ze erover leren leidt niet tot betrokkenheid. De gevolgen daarvan zijn nu al zichtbaar: steeds minder jongeren melden zich aan als vrijwilliger in het natuurbeheer; de ledenaantallen van de Nederlandse jeugdbonden voor natuurstudie lopen terug; het IVN heeft steeds meer moeite jonge mensen te interesseren voor het aanbod aan natuuractiviteiten.16

Wanneer elke school in Nederland een ‘eigen’ stuk natuur zou hebben, wordt er weer een basis gelegd voor het ontwikkelen van betrokkenheid bij natuur. Er is dan een plek waar de leerlingen steeds naar terugkeren (er kan onderwijs gegeven worden in biologie, aardrijkskunde, geschiedenis, kunstzinnige vorming, etc.). Een plek die in verschillende seizoenen ervaren kan worden en waar de jongeren een binding mee op kunnen bouwen. Een plek die betekenis krijgt, zeker wanneer de leerlingen mogen meedenken in het hoe en waarom van het beheer ervan.

Dit lijkt me ook van wezenlijk belang voor allochtone jongeren, die veelal in grote steden leven en nog minder dan de Nederlandse jongeren een beeld hebben van natuur. Zo bieden we hen de mogelijkheid een sense of place op te bouwen in het Nederlandse landschap.

Overigens zal het bovenstaande niet verwezenlijkt kunnen worden zonder de inzet van de leerkrachten en dat betekent dat de PABO’s en de lerarenopleidingen in het geheel betrokken moeten worden. Bovendien zijn afspraken met beleidsinstanties inzake onderwijs nodig: het curriculum dient ruimte te bieden aan onderwijs buiten het klaslokaal.

Tot mijn vreugde kan ik u meedelen dat Staatsbosbeheer samen met het NatuurCollege en de Universiteit van Utrecht een programma voor natuuronderwijs op scholen aan het ontwikkelen is.

Dames en heren, laten we enerzijds aangeven dat we de natuur niet bezitten, onder meer door het aanwijzen van vrijplaatsen voor natuur, en laten we anderzijds de natuur deel maken van de leefwereld van zoveel mogelijk mensen. Dan kan het, zo lijkt mij, gebeuren dat meer en meer mensen – tegelijk uit wil en genade – opgenomen worden in een relatie met de natuur en getroffen worden door het wonder van het bestaan.

Dat is niet alleen goed voor hun welzijn, maar ook voor het welzijn van de natuur. Want wanneer we “vastgegrepen worden door de macht van het uitsluitende” kunnen we de natuur niet anders tegemoet treden dan met welwillendheid omdat we ons realiseren dat wij haar net zoveel toebehoren als zij ons toebehoort. Dan zullen we samen met Basho in verwondering uitroepen:

Wanneer je goed kijkt –
bloeit er een herderstasje
onder de heining!

Noten

1) Martin Buber [1923], Ich und Du. In de vertaling van M. Storm (1998). Ik en Jij. Erven J. Bijleveld, Utrecht.
2) D.T. Suzuki (1960), Lectures on Zen Buddhism. In: D.T. Suzuki, E. Fromm & R. de Martino (eds.), Zen Buddhism and Psychoanalysis, pp. 1-59. Allen & Unwin, London.
3) In de vertaling van J. van Tooren (1977), Haiku – een jonge maan. Derde, herziene druk. Meulenhoff, Amsterdam: p. 155.
4) D.T. Suzuki, op. cit.
5) Thich Nhat Hanh (1988), The heart of understanding: Commentaries on the Prajnaparamita Heart Sutra. Parallax Press, Berkeley.
6) R. L. Praeger (1947), The Way that I Went. Hodges, Figgis & Co., Dublin.
7) M.G.C. Schouten (2001), De natuur als beeld in religie, filosofie en kunst. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
8) T. Lemaire (2002), Met open zinnen. Natuur, landschap, aarde. Ambo, Amsterdam.
9) Milieu- en Natuurplanbureau (2006), Natuurbalans 2006. Kluwer, Alphen aan den Rijn.
10) Anon. (2000), Natuur voor mensen, mensen voor natuur. Nota natuur, bos en landschap in de 21ste eeuw. Ministerie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Den Haag.
11) Th. N.M. Schuyt (2003), Geven in Nederland 2003. Het tweejaarlijkse rapport over geven aan maatschappelijke en goede doelen. Bohn Stafleu Van Lochum, Houten/Diegem.
12) J. Verboom, Y. Meier, R. van Kralingen, K. Volker & H. Eijsackers (2002), Teenagers and biodiversity: worlds apart. Alterra-essay.
13) Verboom et al., op .cit.
14) R. Prime (1992), Hinduism and Ecology. Seeds of Truth. Cassell, London.
15) Verboom et al., op. cit.
16) Milieu- en Natuurplanbureau (2003), Natuurbalans 2003. Kluwer, Alphen aan den Rijn..

Vragen bij de lezing van Matthijs Schouten:

In je lezing gebruikte je de begrippen ‘wil’ en ‘genade’?
De joodse filosoof Martin Buber verwoordde de wederkerigheid in de relatie tussen God en mens en in de relatie tussen mens en natuur en benadrukt daarbij dat de mens zich moet openstellen voor dat andere, hetgeen een wilsdaad is. Hetzelfde tref je aan in het Zenboeddhisme, waar de mens zich door middel van meditatie zich leeg maakt/ openstelt voor het andere.
Wat je dan kunt ervaren is in het Westen wel een ‘magisch moment’ gaan heten, die voor kinderen heel makkelijk bereikbaar is, maar het is ‘genade’ als iets dergelijks je overkomt.
De monnik Basho overkwam het pas op latere leeftijd, na 40 jaar ervaring met meditatie (misschien dat een dergelijk moment hem eerder zou zijn overkomen als hij vaker buiten gespeeld zou hebben).
Hij wordt dan getroffen door het wonder van het Zijn.
Iemand vertelt van zijn ervaring met een Paaswake op Stoutenburg, waar hij zonder verwachting heen ging en getrakteerd werd op een ‘magisch moment’.

Als ieder de natuur in gaat wordt het wel heel vol op die plekken en in het oosten zijn toch ook veel grote steden gebouwd en gaan ze qua consumptiegedrag erg veel op het westen lijken. wat vind u daarvan?
Het natuurbeheer van nu komt neer op scheiding: aan de ene kant reservaten voor natuur, waar die haar gang mag gaan, en daarbuiten waar dan (bijna) alles mag. Ik pleit ervoor om die scheiding op te heffen: wel vasthouden aan de Ecologische Hoofdstructuur, maar daarnaast natuur meer te integreren in de directe leefomgeving van mensen.
In het westen hebben we de natuur heel lang utilitair beschouwd, met grote natuurvernietiging en uitbreiding van de cultuur als gevolg. ook constateer ik een erg sterke aantrekkingskracht van onze welvaart (het westerse model) in het oosten (ook veel walkmans in Ladakh). Wij kunnen aan die ontwikkeling een bijdrage leveren door de vraag te beantwoorden wat die welvaart ons wezenlijk gebracht heeft en met de mensen in het oosten te spreken over kwaliteit van leven.

De natuur heeft naast de mooie, vriendelijke kant ook een harde, gewelddadige kant. Tegen je pleidooi voor gesprek over kwaliteit van leven zijn ook tegenkrachten te verwachten?
Ik heb dat al meegemaakt bij het gesprek met ambtenaren over ‘Natuurwijs’, natuurlessen in het lesprogramma van lagere scholen. Daarbij kwamen we er achter dat er vanuit de ondernemingswereld en projectontwikkelaars krachten zijn, die niet willen dat kinderen daar dingen over leren, dus het is goed om dergelijke, soms ook expliciete, tegenkrachten in te calculeren.

In het Franciscaans milieuproject ervaren we vaak een spanning tussen het uitdragen van de denkbeelden over kwaliteit van leven en het dagelijks leven. Heb je daar een advies over?
Het bereiken van een breed publiek kan al met relatief weinig middelen, bijvoorbeeld het bijhouden van een dagboek van de mensen hier over hun wonen en werken met de natuur, hetgeen dan, na het goed te redigeren, als boek uitgegeven of op de site geplaatst kan worden.
Dit kan dan dienen als aanmoediging voor mensen om er ook op uit te gaan om ervaringen met natuur op te gaan doen. Het boek van Irene van Lippe verkoopt prima (wellicht op het bekende hoofd van de prinses, wordt er vanuit het publiek aan toegevoegd).

Zouden er niet meer oefenplaatsen zoals Stoutenburg moeten komen?
Dat is ook een vraag bij Staatsbosbeheer om plekken te gaan creëren waar de relatie tussen mens en natuur zich kan ontwikkelen. Daarvoor moeten we meer druk ontwikkelen richting de overheid. Staatsbosbeheer denkt eraan om een documentaire te maken over dit onderwerp.

Over welke natuur praten we? In Nederland is er toch geen echte natuur?
Dat klopt, maar wat er wel is, is enerzijds een eeuwenlange vermenging tussen natuur en cultuur, die het zeer waard is om te beschermen en anderzijds een halfwilde natuur met een grote diversiteit, zoals bijvoorbeeld de tuin hier.
Ook pleit ik ervoor om, al is het maar symbolisch, een stuk natuur af te schermen van alle menselijke invloed; er kan/ mag niemand in om de natuur, ook in het dichtbevolkte Nederland, de eigen ruimte te laten innemen, helemaal zichzelf te laten zijn.

Het is momenteel ook spannend hier op Stoutenburg met het herinrichten van de Heerlijkheid Stoutenburg, waarbij dit terrein een soort entree vormt voor het bosgebied van Groot Stoutenburg en de Juliusplas.
Het zou leuk zijn als er gebieden in Nederland zou zijn waar niet alles mag, bijvoorbeeld een echt stiltegebied, waar je niet mag spreken. Het zou een uitdaging zijn om te proberen of zoiets hier op Stoutenburg vorm zou kunnen krijgen!

Terug       Top

guy dilweg; januari 2007.