Studiemiddag zaterdag 5 oktober 2002, deel 2

"Een mens te zijn op aarde in deze wereldtijd"

Deel II: Het mensbeeld van Franciscus van Assisi

In deel II wordt aan de hand van drie hoofdthema's het mensbeeld van Franciscus beschreven: De mens als "beeld van God", de mens als schepsel en de mens naast andere schepselen. Op elk van deze drie thema's ga ik kort in.

Franciscus heeft de overtuiging, dat God de Schepper is van emel en aarde. Hij sluit zich hier aan bij het joods-christelijk scheppingsgeloof. Bij hem staat centraal het gelovig besef, dat alles van God afkomstig is en daarom van Hem afhankelijk. De aarde, de levende en de dode natuur, alles is gave van God. Zelfs ons eigen mens-zijn is in de volle betekenis van het woord niet 'van ons'. Deze levensovertuiging heeft bij Franciscus geleid tot een andere omgang met de natuur. De manier van leven na zijn bekering is daar een unieke demonstratie van. Dat licht op uit zijn Geschriften en andere vroeg-franciscaanse bronnen, zoals Thomas van Celano of de kleurrijke Fioretti.

Het Godsbeeld associëert Franciscus sterk met het vaderbeeld: de vader die schept en zorgdraagt. Daarom zijn wij kinderen van dezelfde vader en dus elkaars broeders en zusters. Die broederschap en zusterschap trekt hij door naar heel de geschapen werkelijkheid: broeder zon, zuster aarde, broeder vuur en zuster water.

Een tweede element in zijn geloofsovertuiging is de gedachte, dat de mens nauw verbonden is met God. God werkt zodanig in mensen, dat zij iets uitstralen van het goddelijke: de mens is 'imago Dei', beeld van God, althans dat zou hij moeten zijn, want vaak maakt hij die hoge verwachting niet waar in de ogen van Franciscus.
Franciscus past het woord 'beeld' ook toe op Jezus. Naar het lichaam is Jezus aan ons gelijkvormig geworden. De inwoning van de Geest, die Christus bezielde, bezielt ook ons, zodat we kinderen van God genoemd kunnen worden. Doordat de mens beeld van God is, is hij tot het goede in staat en kan hij leven naar Gods bedoelingen.

In de praktijk komt daar vaak niet veel van terecht, zoals in Vermaning 5 staat geschreven:

Houd voor ogen, gij mens,
op welke verheven hoogte de Heer God u geplaatst heeft,
want Hij heeft u geschapen en gevormd
tot een beeld van zijn geliefde Zoon naar het lichaam
en tot een gelijkenis naar de geest. (vgl. Gn 1,26)
En alle schepselen die onder de hemel zijn,
dienen, kennen en gehoorzamen naar hun aard
hun Schepper beter dan gij.
(vers 1 en 2)

Alles is door God geschapen, maar alle schepselen stralen door hun schoonheid en ongereptheid ook iets uit van de Schepper. Er is dus sprake van wederkerigheid of een spiegel-effect: in de schepping kunnen we iets herkennen van de Schepper. De mens dient daarom uit dankbaarheid Gods lof te zingen en al het geschapene tot in de kleinste details met respect en bewondering tegemoet te treden.

Franciscus verlangt terug naar de paradijselijke toestand van vóór de zondeval, maar weet dat de mens in een zwakke, van God afhankelijke positie verkeert.
Alleen de liefde van God kan de mens redden, hem tot vergeving brengen en tot stichten van vrede naar het voorbeeld van Jezus van Nazareth. In het voetspoor van Jezus wil Franciscus radicaal leven. Zijn armoede-ideaal en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijn vanuit dat streven verklaarbaar. Franciscus heeft in zijn leven de ontdekking gedaan, dat tekenen van God bij uitstek te vinden zijn: in Jezus, in ieder mens als beeld van God, met name in de ongeziene, verachte en vernederde, én in de natuur als spoor naar God. Door deze tekenen te leren verstaan heeft hij de weg naar God gevonden.

Het tweede hoofdthema is 'de mens als schepsel'.
Daarbij komen onderwerpen aan de orde als: de kwetsbare mens met zijn broosheid en behoeftigheid, en de symboliek van de naaktheid; de wereld verlaten, het lichaam haten en leven in gehoorzaamheid. Het zou te ver voeren om in dit kader op al deze onderwerpen in te gaan. Een enkel woord hierover.
Als schepsel van God kan de mens getypeerd worden als een afhankelijk en dus kwetsbaar wezen. Zijn levensopdracht is in de ogen van Franciscus (in de ogen van iedere christen kun je zeggen ) terug te keren naar zijn Schepper. Daarvoor is nodig, dat de mens de wereld verlaat, God gehoorzaamt en zijn lichaam haat. Zo'n levensovertuiging heeft grote consequenties voor het leven van alledag, namelijk eigen menselijk tekort accepteren, de ander dragen en verdragen, met name bij gebrek, ziekte of verdrukking, afzien van eer, macht en bezit, beteugelen van ijdelheid en hoogmoed. Die wereld wil Franciscus verlaten en die negatieve aspecten van onze lichamelijkheid haat hij.
De confrontatie met de melaatse, het openslaan van het evangelieboek op markante plaatsen, het sprekende kruis van San Damiano, al die gebeurtenissen hebben Franciscus enorm geïnspireerd om zijn levensweg te gaan, de weg van het evangelie. Die weg is voor hem uiteindelijk een mystiek weg geworden naar de hemelse Vader. De stigmatisatie op de berg La Verna in 1224 is daar het zichtbare teken van.

Als derde en laatste thema in dit deel wordt de mens geplaatst naast andere schepselen, een kernthema waar het gaat om de relatie mens en natuur. Het "Loflied van de schepselen" of Zonnelied (een gedicht dat behoort tot de wereldliteratuur) is daar de mooiste illustratie van. Daaruit spreekt verbondenheid, zoals in familiaire relaties. Natuurbeleving is voor Franciscus gelijk aan geloofsbeleving. Al zijn Gechriften zijn doorspekt met bijbelcitaten. Dat zegt iets over zijn kennis van de H.Schrift, maar vooral iets over zijn geloofsovertuiging als christen en als trouwe volgeling van de Kerk.
Kenmerkend voor de spiritualiteit van Franciscus is ook het beeld van 'moeder'. Behalve het moeder-beeld als voorbeeld komt ook sterk het beeld naar voren van Moeder-aarde: de aarde als moeder, die ons draagt en voedt, de aarde die kleurige bloemen en kruiden voortbrengt, maar ook de aarde met haar natuurlijke schuilplaatsen, waar Franciscus regelmatig gebruik van maakte: dicht bij de natuur.
Tenslotte spreekt hij over de 'schijngoederen van deze wereld'. Dat slaat op materiële goederen, maar ook op het hebben van macht of het streven naar roem. De mens heeft grenzeloze behoeften - we hoeven vandaag de dag maar om ons heen te kijken in onze consumptiemaatschappij - , maar Franciscus vraagt zich af wat onze primaire levensbehoeften zijn. Eten en drinken, kleding en een dak boven je hoofd. Dat is genoeg. De rest is onbelangrijk, want al dat bezit is maar een bron van onenigheid en twisten. Bovendien moeten al die bezittingen verdedigd worden en dat leidt eerder tot onvrijheid dan tot vrijheid.
Heel duidelijk plaatst hij de hemelse schatten tegenover de aardse.

Eén aspect van zijn mensbeeld haal ik nog naar voren. Er is bij Franciscus sprake van gelijkwaardigheid tussen mensen en de overige schepselen, want allen komen voort uit Gods hand. In moderne terminologie uitgedrukt, gaat dit meer in de richting van partnerschap, dan van rentmeesterschap. De mens heeft echter wel een grote verantwoordelijkheid voor al het geschapene. Dat komt voort uit het feit dat alleen van de mens gezegd wordt, dat hij beeld van God is.

Intro
Deel 1: Mensbeelden
Deel 2: Mensbeeld Franciscus
Deel 3: Franciscus en de Milieucrisis.

Terug       Top

guy dilweg; maart 2003