Home >Publicaties >Slobbe

Stoutenburglezing 2009 door Magda van der Ende

De vier elementen en mijn inspiratiebron,
de kabbala en het leven zelf

 

Magda bij de levensboom.
Magda van der Ende bij de Levensboom.

“Stoutenburg” is voor mij een bekende plek. In het begin van het Franciscaans Milieuproject hebben Abel en ik geprobeerd de groep te begeleiden, we hebben de eerste processen van eb en vloed, van de gaande en komende mens meegemaakt. Ik heb erg veel respect voor de mensen die er nu nog steeds zijn en die deze plek hebben weten te behouden voor iedereen die een verbinding aan wil gaan met de natuur, daar meer van te weten wil komen – en die dus ook meer over zichzelf te weten wil komen.

 De Expeditie

 Ik woon en werk in De Expeditie aan de Schimmelpenninckkade in Amersfoort, ik geef cursussen op het gebied van de kabbala – joodse mystiek. Heel af en toe zal ik daar vanmiddag naar verwijzen, aan de hand van de hier afgebeelde figuren, de Jakobsladder en de Levensboom. Ze hangen hier vooral omdat ze voor mij een bron van inspiratie zijn en ik ze erg graag mee wilde nemen. Ik voel mijzelf ook een boom: ik heb voeten op de aarde en mijn kruin reikt naar de hemel, ook al ben ik nog zo kort. Dat geldt voor iedereen: voeten op de grond en je hoofd naar de hemel. Voor mij is het een belangrijk thema dat die twee gecombineerd worden.
Samen met Abel heb ik jarenlang trainingen gegeven op het gebied van geweldloze sociale verandering, conflictoplossing, bemiddeling, actie en dergelijke. Daar praatten we niet alleen over, we deden het ook en ervoeren het zelf.

Op een gegeven moment wilde ik dieper tot mijn ziel en tot die van de mens doordringen en sinds 1979 houd ik me bezig met de kabbala; ik geef nu een jaar of tien les, ik verzorg lezingen en cursussen en ik begeleid mensen op basis van de kabbala.

Verder draaien we samen met behulp van vrijwilligers De Expeditie. Dat betekent een zeer eenvoudig huis, vegetarisch-biologische maaltijden, groenten die we zelf met behulp van de natuur, in eigen tuin verbouwen. En die natuur is dit jaar zeer overvloedig!

 Carolien vroeg mij een lezing te houden over ‘Aarde, mijn aarde’. En ik zei ogenblikkelijk: ‘Nee’. Niet omdat ik geen lezing wilde geven, maar omdat die woorden voor mijn gevoel niet bij elkaar horen. ‘Mijn’ is te klein voor ‘aarde’. De aarde is niet van mij, wij wonen op deze aarde, we komen, we gaan weer weg. Ik stelde daarom als onderwerp voor: ‘Aarde, water, lucht en vuur’, elementen die in de natuur en in onszelf, in ons lichaam, een grote rol spelen. Zo werd het thema van de lezing: De vier elementen en mijn inspiratiebron, de kabbala en het leven zelf.

 Tuinervaringen

 Ik wil beginnen met een aantal tuinervaringen. Ik vertelde al dat we een grote tuin hebben – d.w.z. tot voor kort hádden. Tot 1 januari van dit jaar huurden Abel en ik 500 vierkante meter bij boer Van Dijk in Achterveld. We begonnen er in 1983 , we hebben er met zeer veel plezier getuinierd, de knollen uit de aarde getrokken, water gegeven, we zagen de luchten, de wolken, de winden, en we voelden de regen en de hitte van de zon. De vier elementen, in een steeds veranderend evenwicht met elkaar altijd aanwezig.

Die plek is in de loop van de jaren uitgegroeid tot ons paradijs. Dat paradijs hebben we nogal grondig afgesloten, niet door een hek, maar door het te beleven en te beschouwen als ons toevluchtsoord. In De Expeditie hebben we een heel druk leven, soms komen er per week meer dan 100 mensen over de vloer. De tuin is voor ons een recreatieplek, een plek om op adem te komen. Wij werken daar dus niet met vrijwilligers. Het is een plek geworden waar ik de allergrootste vreugdes en het diepste verdriet van mijn leven verwerkt heb.

 Ik herinner me de periode dat we na de oorlog in Bosnië geprobeerd hebben de vrouwen van Srebrenica naar Nederland uit te nodigen. Daar hebben we anderhalf jaar aan gewerkt, tegen de stroom in, omdat veel Nederlanders bang waren de vrouwen onder ogen te komen. Wij vonden dat er contact nodig was, voor herstel, verzoening, voor uitwisseling, voor luisteren naar elkaar. Op een van die momenten dat we flink tegengewerkt werden, ben ik naar de tuin gegaan; gelukkig stond er veel onkruid en ik ben aan het rukken en trekken gegaan en met armen vol sleepte ik alles naar de composthoop. Toen viel ik boven op de composthoop. En ik begon ontzettend hard te lachen. ‘Daar lig je dan met al je boosheid’. Op dat moment ging mijn boosheid uit me, het knopkruid lag op de composthoop en ik wist weer: ‘uit stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’. Mijn persoonlijke strijd werd opgenomen in een groter geheel, ik werd geheeld.

 Zes jaar geleden is mijn zoon overleden, en in de periode van zijn ziekbed is de tuin voor mij van onschatbare waarde geweest. Hij was mijn eerstgeborene en ik bracht hem alle eerstelingen die er groeiden. Hij kreeg het eerste viooltje, hij kreeg de eerste vogelmelk, de eerste goudsbloem, alles bracht ik naar hem toe. ‘Als hij het eerste kropje sla nog maar haalt.’ Ik denk dat dit allemaal voor mij belangrijker is geweest dan voor hem, maar dat maakt niet uit, voor mij was het belangrijk iets te kunnen doen en de natuur bij het geheel te kunnen betrekken. Het proces te ervaren van komen en gaan, van eb en vloed, van generatie op generatie, van jaar in, jaar uit, planten-zaaien-groei-bloei-verval. Dat is het leven van de natuur. Dat soort dingen heb ik in de tuin allemaal geleerd.

 De natuur is een spiegel voor mijn ziel, voor mijzelf, en de tuin heeft mij bewust gemaakt van het feit dat ik zelf ook uit de vier elementen besta. Ik ben ook aarde, water, lucht en vuur, en dat is ieder mens, ieder dier, alles wat is. Tot in elke cel zijn wij die vier elementen. En in iedereen vormen de vier elementen een eigen, unieke samenstelling. De een is vurig, een ander wat aardser, weer een ander wat wateriger en een ander wat luchtiger.

 Vanaf 1 januari 2009 konden we in die tuin niet meer terecht omdat er bouwplannen zijn in het gebied. Met pijn in het hart hebben we afscheid van het paradijs genomen. Nu zitten we in het park Schothorst, tussen hekjes, paden, buren. Het eerste jaar is moeilijk geweest, maar nu wordt het alweer een beetje ‘onze’ tuin. Ik heb namelijk een kikker gezien. Een grote met gestreepte dijen. Hij zit altijd tussen de aardbeien of de boontjes en ik kan niet zeggen hoe hoog mijn hart opspringt als ik dat dier daar zie. Ik praat ermee en hij is er elke keer. Op een keer waren er vijf fazanten. Dat was het moment dat ik me echt realiseerde dat een stadsvolkstuintje óók natuur is. Ik juichte bijna tegen de buren: ‘ik heb 5 fazanten gezien!’ Die zullen wel gedacht hebben: ‘Nou, ze komt er nog wel achter hoeveel schade die dieren aanrichten.’ Maar door lang met de kikkers in dezelfde tuin te zijn, heb ik iets anders ontdekt: ze springen op de korenbloemen, en dan vallen de zaadjes van de korenbloemen eruit en zo zaaien ze zich uit. Ze springen op de borage, dan knakt de borage en komen er allemaal jonge plantjes. In feite helpen ze dus mee.

 Een eerdere tuin in mijn leven. Ik ben geboren in Grevenbicht, een heel klein plaatsje in Zuid-Limburg, tussen de Maas en het Julianakanaal. Mijn vader was dominee en ik heb het geluk gehad op te groeien in een enorme pastorietuin. Grasvelden met borders, een boomgaard, een moestuin, een beek, een vijver. Ik groeide op met kippen, schapen, kalkoenen, ganzen, eenden, konijnen en alles wat er verder in de tuin leefde. Als mijn vader aan het spitten was, had hij er het grootste plezier in zo’n vette pier naar ons toe te gooien, zodat wij gillend opsprongen. We groeiden op met dieren, met fruit, met groente. In de zomer werd die groente ingemaakt voor de winter, ’s winters haalden we de voorraad uit de kelder. Ook daar kregen we te maken met eb en vloed, letterlijk. Als het water in de Maas hoog stond, stond er ook water in onze kelder. Het allerleukste was om, als de vloer ondergelopen was, een weckpot te gaan halen. Want dan mochten we in de teil, met een stok om te duwen en zo dreven we dan naar het rek waar de aardappels, de weckpotten enz. stonden. Als het water zakte, lag er een laagje modder op de bodem, en het rook er muffig. Licht kwam er nauwelijks in die kelder. Weer de vier elementen. Ik realiseerde het me toen niet, ik groeide zo op, in die tuin, in die situatie, het was gewoon en ik wist niet anders. Ik besefte niet dat ik met de elementen leefde of dat ik zelf deel had aan de elementen.

 Toen ik 19 was ben ik in Utrecht gaan studeren. Vanuit dat eenvoudige dorp kwam ik in de stad, met alle prikkels en uitdagingen. Het was 1967. Ik studeerde theologie, maar heb vooral ‘gedemocratiseerd’, zoals dat toen heette. Ik dacht toen dat ik dit uit vrije wil deed. Maar nu terugkijkend, weet ik wel beter, het was gewoon de tijd, het zat in de lucht en ik woei met die wind mee. Ik demonstreerde omdat iedereen dat deed, ik had niet precies kunnen zeggen waarom ik dat deed, maar de kudde ging naar links, dus ik ging ook naar links. Na drie jaar had ik het wel gezien, dat democratiseren, en de theologiestudie ook. Mijn hoofd werd steeds groter, steeds voller met informatie, en mijn hart en mijn ziel kwamen ongelooflijk te kort. Op zich ging het goed met de studie, ik kon die vakken best leren, maar ik had van de theologiestudie iets anders verwacht.
Ik ben in die tijd getrouwd met Teun van Rheede. Samen zijn we naar Roemenië gegaan, naar Cluj/Kolozsvar, in het Hongaarstalige gedeelte. Daar heb ik twee jaar theologie gestudeerd. Ik kwam wat meer thuis wat mijn hart en mijn ziel betrof. Het contact met de professoren was veel directer, daar ging het over wezenlijke dingen, over geloof, de moeite ermee, natuurlijk ook gestimuleerd door de situatie onder Ceaucescu. Je werd ertoe aangezet na te denken over de dingen, over het leven; waarom gebeurt dit, hoe kunnen we reageren, wat is goed, wat is niet goed. Ik heb daar van alles geleerd. Vaak waren we in de stad opgesloten omdat we daar waren om te studeren en de autoriteiten vonden dat we daar dan ook moesten blijven, om contact met ons te belemmeren. Maar als we de kans kregen om naar een dorpje te gaan – we gingen dan op bezoek bij de dominee – probeerde ik altijd zo snel mogelijk de tuin op te zoeken en dan vroeg ik of ik even mocht wieden. Ik herinner me veel bedden, met wortels, aardappelen, met van alles, en ik vond het heerlijk om daar even in de aarde bezig te zijn, om de spanning van de stad, de druk, de achtervolging, het afgeluisterd worden, even te laten gaan en thuis te komen in de aarde. Toen ben ik gaan merken dat dit gezond voor me was en dat het me goed deed.

 Op het spoor van de kabbala

 In Roemenië heb ik mijn studie uiteindelijk afgemaakt, tot en met een dissertatie. Terwijl ik die dissertatie schreef, kreeg ik de Chassidische Vertellingen van Martin Buber. Dat boek heeft mij op het spoor gezet van kabbala, de Westerse mystiek. De twee afgebeelde figuren zijn er symbolen van: de Ladder van Jakob en de Levensboom. Het zijn als het ware modellen waarin mystieke ervaringen, kennis over scholing van de ziel, allerlei valkuilen en dingen die je tegen kunt komen in een proces van groeiende spiritualiteit, van toenemende bewustwording, zijn opgeslagen. Het zijn bij wijze van spreken energievelden waar je je mee kunt verbinden, waar je aan toe kunt voegen en waar je van kunt ontvangen. Kabbala betekent ook letterlijk “ontvangen”.

De kabbala sprak mij aan, omdat het een holistisch systeem is. Het lichaam is niet minder dan de geest. Het lichaam is het voertuig om de ziel op aarde te laten zijn. Het komt erop aan wat je doet, denkt, voelt. Het gaat niet om ontkenning van het lagere en streven naar het hogere, het gaat er juist om door het zogenaamd lagere, het aardse, heen te gaan of er in te zijn, en op dat moment het hogere te ervaren. Dat had ik in het christendom niet zo ervaren (later ben ik daar, door de ontmoeting met kabbala, wat anders tegenaan gaan kijken). De kabbala is de achtergrond van de Westerse mystiek. Zowel het jodendom als het christendom hebben veel invloeden in zich opgenomen, Egyptisch, Babylonisch, Grieks, (onder andere Plato), van alles. Het is de aanduiding voor Westerse mystiek, en je hoeft dus eigenlijk niet per se naar Azië om methodes van meditatie, van stil worden, van mantra zingen etc. te vinden. In de kabbala liggen die dingen allemaal besloten. ’t Is alleen even zoeken.
Meestal spreekt een andere stroming aan omdat je daar geen persoonlijke ervaringen mee hebt, omdat er geen ‘lading’ op zit. Als je als christen opgegroeid bent, vind je bijvoorbeeld in het boeddhisme niet het systeem dat je misschien in het christendom als machtsstructuur hebt ervaren in je jeugd. Dan is het boeddhisme waardevrijer en opener. Voor een boeddhist geldt hetzelfde, dan kan het christendom of een andere stroming aantrekkelijk zijn. Uiteindelijk komen alle wegen op precies hetzelfde neer. Het zijn verschillende culturele vormen om hetzelfde te benoemen.

In de kabbala wordt de term ‘scholing van de ziel’ gebruikt, dat betekent een leerproces waarin je de ziel, jezelf leert kennen, en waarin je zelfkennis en bewustwording ontwikkelt. Het doel is de goddelijke vonk zo optimaal mogelijk te leven, zoveel mogelijk te laten glanzen, zoveel mogelijk te poetsen, schoon te maken, zodat hij glanst en het goddelijke licht kan ontvangen en door kan geven.

 Eén met alles wat er was

 Terug naar de tuin van mijn jeugd. Toen ik een jaar of 33 was, kreeg ik van een kennis een tekening, waarop tegen een gouden achtergrond een aardbei stond met een kroontje erop. Daar stond onder: Strawberry fields for ever. Degene die het me gaf had het voor me gemaakt zonder te weten waarom. Het duurde een jaar of vijf voor ik wist wat het betekende. Op een gegeven moment was ik aan het mediteren in een kabbala-groep. Het beeld van mijzelf als klein meisje bij het aardbeienbed in de tuin in Grevenbicht kwam op. Ik zat voor een biels (de aardbeibedden lagen altijd tussen bielzen zodat er eerst nog plat glas op kon), de aardbeien zaten nog aan de planten, het was een heldere zomerse dag, ik zat daar gehurkt en opeens was ik één met alles. Mijn jurkje was wit, met strookjes en kleine poppetjes, ik rook de ereprijs, ik zag de narcissenkoppen zachtjes wuiven en ik was één met alles wat er was. Toen wist ik waarom ik die tekening had gekregen. Ik heb als kind bij het aardbeienbed van mijn vader een eenheidservaring gehad, die mij het nu heel sterk deed beleven. Er was geen vroeger, er was geen toekomst, geen later, er was alleen nog maar nu. Later heb ik meer van die ervaringen gehad. Daardoor ben ik gaan zoeken naar hoe dat komt, hoe het kan dat zoiets een mens overkomt. Hoe kan het dat de sluier voor de hemel af en toe even opengetrokken wordt, dat je een flits van genade ontvangt en volledig bent, de ervaring hebt van ‘alles is goed’? Wat is dat? Dan kom je al gauw terecht bij natuurmystiek. Natuur appelleert aan de natuur in mij, waardoor ik mijzelf kan ervaren als deel hebbend aan een groter verband. Er zit bijvoorbeeld water in mij, dat besef kan wakker geroepen worden door de zee. Dat geldt voor iedereen, maar niet iedereen is het zich bewust. In de kabbala wordt ervan uitgegaan dat iedereen op zijn minst eenmaal in zijn of haar leven zo’n ervaring heeft, als een soort signaal om wakker te worden. Vervolgens is de keuze aan de mens om dit af te doen als flauwekul of ‘laat maar zitten’, of je gaat er achteraan, je gaat het onderzoeken.

Het onderzoeken zat er bij mij al vroeg in. Mijn vader wou graag dat ik naar de sociale academie ging, net als mijn broer en zus. Dat was geen slecht aanbod van hem, maar ik vond het een beetje oppervlakkig. ‘Wat wil je dan’, was zijn vraag. En tot zijn schrik zei ik : ‘Theologie studeren.’ Hij was op dat moment heel verbitterd over de kerk, over wat daar allemaal (niet) gebeurde en zei toen: ‘Weet dan dat je op een gegeven moment als aanvulling op het traktement oud papier moet gaan verzamelen, zoals de dominee in Heerlen nu ook al moet doen.’ De salarissen waren toen erg laag. Wij hadden de opbrengst van de verkoop van konijnen en kippen om dat aan te kunnen vullen. ‘Waarom wil je theologie studeren?’, vroeg hij. Ik zei toen (negentien jaar oud): ‘Omdat de diepste manier om met de mens bezig te zijn ligt in onderzoek naar de relatie mens-god. Ik wist toen eigenlijk niet eens wat ik zei, maar in mijn gedachten was ik hier op uitgekomen. .
Hoewel de theologiestudie me een beetje teleurstelde, heeft die studie me wel op het pad van de kabbala gebracht. De kabbala is veel universeler; ik heb nooit predikant willen worden, want dan ben je gebonden aan een bepaalde confessie. Ik heb altijd het gevoel gehad: het pastorieleven heb ik al meegemaakt en de kansel is voor mij een beetje te klein, ik wil meer ruimte om me heen.

 De natuur in je zelf herkennen

 Ik ga nu terug naar de elementen. De elementen aarde, water lucht en vuur, waar alles uit bestaat. Ik wil nu graag een korte meditatie doen, waarbij de elementen in het lichaam ervaren kunnen worden.

 Ga zo ontspannen mogelijk zitten, de voeten op de grond, probeer vingers, armen of benen niet te kruisen, laat alles open zijn, de ogen mogen dicht maar dat hoeft niet. Ga met de aandacht naar binnen. Stuur de aandacht naar de grove delen van het lichaam: het skelet. Dat houdt het lichaam staande. De schedel, de ruggengraat, schouderbladen, lange botten van de armen, de kleine botten van de vingers, bekkenbodem, de lange botten van de benen en de kortere van de voeten. Breng de aandacht naar de tanden, het haar en de droge delen van de huid, die regelmatig vernieuwd wordt. Dat is het element aarde in ons lichaam.
Breng nu de aandacht naar het vocht op de huid, in de handen, in de plooien van de huid, het gezicht, in de mond, slokdarm, de maag, de organen, het vocht stroomt door de lymfevaten, de lymfklieren, de bloedbanen. We bestaan voor een groot deel uit water. Dat is het element water in ons lichaam.

Breng de aandacht naar de lucht. Voel de lucht om ons heen, voel de druk van die lucht, voel hoe de lucht via mond en neus en de poriën van de huid ons lichaam ingaat en zich verbindt met gasachtige stoffen in ons lichaam. Dat is het element lucht in ons lichaam.

Breng de aandacht naar de warmte van je lichaam, in je handen, tussen de schouderbladen, de holtes van het lichaam, de warmte in het lichaam, de warmte die geproduceerd wordt door alle processen van omzetting. Licht achter de oogleden. Dat is het element vuur in ons lichaam.

 Dit zijn de vier elementen waaruit ons lichaam bestaat. Ze zijn verbonden met elkaar. Vuur doorklieft lucht, lucht gaat door water, en water sijpelt door de aarde. Zo zijn we één, het een kan niet zonder het ander. Haal een element weg, en het geheel functioneert niet meer. We zijn één staande golf van aarde, water, lucht en vuur.

Doe nu langzaam je ogen open, breng je aandacht bewust naar het hele lichaam, in deze ruimte.

 Dit is een eenvoudige meditatie om te ervaren dat we niet alleen in de natuur zijn, maar ook zelf natuur zijn. De manier waarop de mens met de natuur omgaat, heeft volgens mij veel te maken met de vraag in hoeverre de mens de natuur in zichzelf erkent, beseft. Natuur wordt in Nederland heel erg behandeld als een patiënt. Net zoals een mens vaak zijn lichaam behandelt. De neus is te kort, moet wat langer, borsten zijn te klein, moeten beetje groter, te groot, moeten beetje kleiner, er kan van alles vergroot, verkleind, verdikt, verdund, veranderd worden. Dat gebeurt ook met de natuur. Waar het recht was, moet het krom worden, waar het krom was, moet het recht worden, waar het diep is moet het hoog worden, waar het hoog was moet het diep worden. Vijfentwintig jaar lang ben ik langs de Emelaarseweg naar onze tuin gefietst, nu herken ik die weg nauwelijks meer. Alles is anders geworden. Er was natuur, maar wat er nu is, schijnt ‘echte’ natuur te zijn. Er wordt een soort wilde natuur gemaakt. Ik vraag me af of dat misschien uitdrukking is van het feit dat we de wilde natuur die we ook in ons hebben, naar buiten projecteren. Dan zou het een gunstig teken zijn, want wat je naar buiten projecteert, kun je gaan leren zien, leren kennen, daar kun je het over hebben, dat kun je gaan sturen. Dat de natuur behandeld wordt als een patiënt waar steeds aan gefrommeld moet worden, waar alsmaar iets aan veranderd moet worden en waar aan ‘geopereerd’ moet worden, dat gaat me zeer aan het hart. Omdat ik uit ben op zingeving, probeer ik dit gedrag te verklaren en misschien is dit een fractie van een verklaring. Dat de mens zo met de natuur om kan gaan, komt misschien, omdat de mens de natuur in zichzelf niet (h)erkent.

 De verschillende bewustzijnslagen in de mens

 In de traditie van de kabbala heb ik het een en ander geleerd over de verschillende bewustzijnslagen. Voor een mens, levend in een lichaam, is het van groot belang het lichaamsbewustzijn te kennen, dat  in de loop van de evolutie ontwikkeld is. De oefening die we hebben gedaan, was een oefening om het lichaamsbewustzijn te stimuleren. De vier elementen die we in ons lichaam hebben, vinden uitdrukking in de zintuigen. Het element aarde leren we kennen door te voelen, te tasten. Het element water leren we kennen door te proeven. Het element lucht door geur en horen. Het element vuur leren we kennen door zien, door het licht. De zintuigen zijn als het ware wachters van het lichaam, die ons helpen ons te oriënteren in deze wereld. Als je een trap af gaat en je mist een trede, dan corrigeert je evenwichtsorgaan dat onmiddellijk; je neemt geen wilsbesluit, er komt geen persoonlijkheid aan te pas, het bewustzijn van je lichaam redt je van een val. Of zorgt ervoor als je aan het wandelen bent, dat je net niet struikelt in een kuil. Als je lichaamsbewustzijn tenminste wakker is. Leven zonder lichaamsbewustzijn, zou je kunnen zeggen, is ongelukken uitlokken. Met ons lichaamsbewustzijn voelen we of we in een veilige omgeving zijn of niet. We bespeuren er onraad mee. We oriënteren ons met de zintuigen zoals in een heel vroeg stadium van de mensheid in de jungle. Alsof we overal in ons lichaam ogen en oren hebben. In deze samenleving, die je ook een jungle zou kunnen noemen, hebben we die zintuigen hard nodig.

 Het lichaamsbewustzijn is ook een basis voor spirituele ontwikkeling. Zonder lichaamsbewustzijn beginnen aan een weg naar spirituele ontwikkeling, kan gevaarlijk zijn. Als je te veel licht binnen krijgt, ben je niet genoeg geaard om het af te kunnen leiden. Ik heb de tuin nodig om me bij het werken met mensen aan bewustwording steeds weer te aarden en door me heen te laten sijpelen wat ik niet nodig heb, dat wat – ook energetisch – compost mag worden; zo kan ik me zuiveren en verder gaan.

We hebben ook een plantaardig deel. Het plantaardige, vegetatieve bewustzijn zorgt ervoor dat je je bijvoorbeeld als een poes kunt koesteren in de zon. Als het te heet wordt, ga je naar de schaduw. Als er een vlieg komt, beweeg je je hand en je zakt weer terug in een sluimertoestand. Het plantaardige bewustzijn is het vegeterende deel in ons: het blijft op de plaats, het zit in de strandstoel en het draait mee met de zon, zoals een zonnebloem zijn kopje draait. Het is heel leuk om dat op het strand te zien: al die handdoeken en stoelen die in de loop van de zomerse dag meedraaien met de zon.

 In de loop van de evolutie hebben we ook het animale bewustzijn meegenomen. Het animale, het dierlijke, beweegt. De slak beweegt zich, hoe langzaam ook, naar het eten, de kat gaat op jacht, de zalm verplaatst zich kilometers door het water, etc. Bij veel diersoorten is er strijd. Er is een leider van de kudde, er is er één het sterkste. Breng maar eens een nieuwe koe in een kudde, er ontstaat allerlei gewoel en geharrewar, de hiërarchie moet opnieuw worden vastgesteld. Dat geldt ook voor een groep mensen. In elke leefgemeenschap, in elke kleuterklas, in elke organisatie. Het dierlijke in ons betekent dat we gaan, dat we ervoor gaan, dat we ergens naartoe gaan, dat we aan competitie willen doen. De animale mens vind je vooral in de politiek, de slimste ideeën, het snelst reageren, maar je vindt ze ook in de vredesbeweging, in de milieubeweging, in iedere organisatie waar iets neergezet moet worden. Dit is niet een negatief oordeel, het is een inzicht in hoe het werkt in groepen. Als je in de gaten hebt hoe het werkt, hoef je er niet zo onder te lijden en weet je hoe de patronen lopen; kun je als het ware de kudde inschatten.

 De mens kent dus het plantaardige en dierlijke bewustzijn. Daarnaast is er ook het humane, het menselijke bewustzijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat je na kunt denken over het feit dat je die verschillende bewustzijnstoestanden hebt; dat je de wil kunt gaan sturen om niet door verschillende toestanden geleid te worden. Je kunt jezelf leren kennen, je kunt je eigen plant leren kennen, je eigen dier, je eigen wil. En langzamerhand, en dat is wat een school van de ziel doet, (het kan ook zonder die school, maar meestal liggen daar goeie hulpinstrumenten klaar) leer je de eigen wil kennen. Je leert wanneer de plant in je beslist, of het dier, of je menselijke wil, of wanneer er iets autonooms aan het ontstaan is. Het menselijke bewustzijn betekent: inzicht hebben in het bestaan, je wil kennen en kunnen sturen en je ziel leren kennen.
Je ziel is de plek van diepe emoties. Niet de oppervlakkige, van bijvoorbeeld plezier of comfort, maar van diepe vreugde of diep verdriet; diepgaande emoties die je ziel uit doen roepen in wat voor stemming dan ook. Het is de plaats van je geweten en de plaats waar je een vrije wil hebt om te kiezen hoe je omgaat met de dingen die op je pad komen en die je in je leven overkomen. De vrije wil wordt in het leven van een mysticus of een mystieke scholing versterkt in een leven, gericht op het goddelijke, leven in contact met de bron. Je op laten trekken door het goddelijke: ‘niet mijn wil geschiede’ (dat veronderstelt al dat je ‘mijn wil’ kent, dat is een laag van bewustzijn), ‘maar uw wil.’ Het betekent een overgave met alles wat je hebt. Veel mystici zeggen: ‘ik sta naakt voor u.’ Als de rijke bij Jezus komt en vraagt hoe hij het koninkrijk der hemelen kan beërven, krijgt hij als antwoord dat een rijke moeilijker het koninkrijk der hemelen binnengaat dan een kameel door het oog van een naald gaat. Er wordt niet enkel bedoeld rijk aan goederen, aan materie, aan geld, maar ook rijk aan voornemens, rijk aan ideeën, rijk aan meningen, etc. Als je rugzak daarmee vol zit kun je het koninkrijk van God niet binnengaan. Je kunt niet met die ballast in het goddelijke licht staan, want die ballast beperkt je zicht, trekt je naar beneden.

 De ladder van Jakob

 Waarom dit hele verhaal?

De elementen worden ook op de volgende manier als symbool gebruikt.

Hiernaast zie je de ladder van Jakob, waarop vier bewustzijnsniveaus worden aangeven.

Het onderste deel is de boom van het fysieke, van het lichaam (aarde). De tweede, hogere deel is de boom van de psyche (water). De derde boom, daarboven, is die van de geest (lucht) en de vierde, hoogste boom is die van het goddelijke (vuur).

We hebben zojuist de meditatie gedaan van aarde, water, lucht en vuur in ons lichaam. De elementen worden gebruikt als symbolische aanduidingen. Van boven naar beneden: vuur als het goddelijke; lucht als de aanduiding van het geestelijke, het spirituele; water als de aanduiding van de psyche, de zeer veranderlijke, waterige toestand van de psyche: (je kan zomaar van alles denken, dromen, je kunt met je psyche reizen) en het element aarde als het fysieke, de meest dichte energie die we hebben, het skelet, de huid, het haar, de tanden, enz. Daar vallen ook onze vast afgepaalde meningen onder, vaste patronen, onze gewoontes die over ons beslissen, in plaats van dat wij die gewoontes op een positieve manier gebruiken om een bepaald doel te bereiken, om iets gedaan te krijgen.
In de bijbel vinden we talloze natuurbeelden. In de kabbala worden de natuurbeelden en de elementen vertaald naar de niveaus die ik net beschreven heb. Dus als er sprake is van een openbaring op de Sinaï, dan zien we vuur in de vorm van bliksem, er zijn donkere wolken, een combinatie van water en lucht, een aardbeving. Er wordt een ervaring  van een volk beschreven, maar het is tegelijkertijd te lezen als een ervaring van een individu, een diepe, mystieke ervaring, die het lichaam laat beven als een aardbeving, psyche en geest zijn niet meer gescheiden, lopen door elkaar heen en  het licht wordt als een bliksemschicht gezien. Het gaat om een flits van genade, van inzicht. Zo werd en wordt de bijbel gelezen, de natuurbeschrijvingen worden vertaald op deze manier. Als Jezus op de bruiloft te Kana is, wordt er gesproken over lege vaten, aarden vaten voor wijn. Het is een bruiloft, symbool voor eenwording van mannelijk en vrouwelijk. Er zijn lege aarden vaten. Jezus laat daar water in doen, symbool voor de psyche. Dan brengt het goddelijk vuur in Jezus er de inspiratie van de geest in en het wordt wijn. Daar wordt hetzelfde verhaal met behulp van de vier elementen verteld. Het is hetzelfde proces als het scheppingsverhaal. Het scheppen van aarde, water, lucht, en vuur, het gaat alsmaar door in een doorgaand, continu proces En het gaat alsmaar door in ons.

 Het kleine meisje bij het aardbeienbed heeft een ervaring van eenwording van psyche en geest, de sluier wordt even opengetrokken en het wordt een ervaring van licht: Strawberry fields for ever.

Gesprek met de zaal

Over de ziel en de wil
Hoe zie jij de rol van de ziel en de rol van de wil in het humane bewustzijn? Door de wil gaan wij vormgeven, maar onder de ziel versta ik eerder het contact van de mens met het goddelijke, en dat lijkt in jouw opvatting niet zo te zijn.

 Magda:Kijk even naar deze figuur. Het lichaamsbewustzijn kun je op malchoet plaatsen, het vegetatieve bewustzijn wordt in de driehoek van jesod, hod en netzach geplaatst, dat is de wereld van de eindeloos zich herhalende cycli, opstaan, douchen, tandenpoetsen, werken, enz. Het animale wordt in de driehoek van tiferet, hod en netzach geplaatst, dat is de plaats waar de mens zijn of haar eigen wil kan leren kennen, want daar kun je gaan observeren hoe of waardoor je botst op anderen; je merkt: in deze situatie doe ik altijd dit, in dat soort situaties doe ik dat; wie ben ik eigenlijk? Het ego wordt in jesod geplaatst, in het midden van die cycli. Het is bijna mechanisch, je speelt allerlei rollen. Rollen horen bij het ego.
‘Wie ben ik?’ Dat is de vraag van de ziel. De ziel wordt beschreven als de goddelijke vonk in ons. De ziel wordt gedragen door twee vleugels. De rechtervleugel heet chesed, dat is barmhartigheid, liefde, uitgaande kracht, tolerantie, toewijding. De linkervleugel heet gevoera, dit is onderscheidingsvermogen, discipline, oordeel, nee zeggen als er nee gezegd moet worden, ja zeggen als er ja gezegd moet worden, structuur aanbrengen. Dat zijn de vleugels waarop de ziel zweeft, zou je kunnen zeggen. Die ziel is in ieder mens uniek. De ziel komt uit de wereld van het goddelijke, is een goddelijke vonk, elke ziel komt met een heel specifieke taak op aarde. Groeiend zelfbewustzijn maakt het mogelijk om de taak van de eigen ziel te leren kennen. En met de vrije wil, die thuis hoort in de ziel, kan er gekozen worden of je de taak gaat uitvoeren, of dag in dag uit de rollen van het ego blijft vervullen. Sommige mensen kiezen daarvoor, ze worden meestal een beetje cynische, sarcastische mensen, die weten dat hen iets anders te doen staat, maar ze kunnen daar net niet bij. Ze katten op alle mensen die wel hun ziel ontwikkelen. De ziel wordt traditioneel weergegeven door de aartsvaders, Abraham, Isaak en Jakob. Abraham, chesed (Hesed) aan de rechterkant, is de gastvrije, degene die gastvrijheid aanbiedt, die pleit voor anderen, die met God praat, die opkomt voor mensen, die, als er land gekozen moet worden, tegen Lot zegt: kies jij maar; en dan kiest Lot het beste en krijgt Abraham het magerste. Abraham is vader van vele volkeren, vader van vele religieuze tradities. Links staat op gevoera, Isaak. Isaak staat voor angst, die kromp ineen toen hij op het altaar gebonden werd. Hij staat ook voor gehoorzaamheid, hij volgde zijn vader, terwijl hij wist wat er stond te gebeuren. Hij volgde in gehoorzaamheid. Gevoera is onderscheidingsvermogen, weten wat er gebeurt. Er staat een prachtig zinnetje in de bijbel, als Abraham en Isaak samen optrekken: ‘Zo gingen die beiden tezamen’. Chesed voorop, en gevoera, onderscheidingsvermogen, daar achteraan, gehoorzaam volgend. En zo hoort het te zijn in de ziel: de liefde moet voorop gaan, en de discipline moet volgen. Eerst discipline en dan ook nog een beetje liefde, dat is hopeloos. Eerst de liefde, de toewijding, dan de discipline, de wil om het uit te voeren. Tiferet, de schoonheid, de essentie van de ziel, dat is Jakob die Israël wordt. Jakob wordt, als hij al Israël heet, daarna toch nog Jakob genoemd. Als stamvader, als vader van twaalf zonen, dus in zijn biologische functie wordt hij naar beneden kijkend, in het fysieke, Jakob genoemd. In zijn spirituele functie wordt hij, ontvangend van boven, Israël genoemd. Tiferet, schoonheid, de zielevonk, dat is een paradox. Die kan naar beneden gericht worden en Jakob leert de natuur, zijn eigen natuur, kennen. Dat wordt geïllustreerd door het welbewust fokken van lammeren met vlekken en strepen. Zijn schoonvader laat hem pas gaan na heel veel jaren werken, eerst voor Rachel, dan voor Lea en dan nog voor kuddes. Rachel wordt op de rechterkant geplaatst, de uitgaande, energie kant. Lea op de linkerkant, de meer verborgen, samengetrokken, vormkant. Zo leert hij beide kanten kennen, en hij leert ook zijn eigen vegetatieve en dierlijke kant kennen door met stokken te manipuleren en geiten te fokken. Dat betekent dat Jakob met zijn eigen natuur kon omgaan. Hij werd er niet door geleid, hij wist welke stokken hij moest gebruiken, en hij wist hoe hij ze in de trog moest zetten, zodat de bokken de schapen gingen bespringen. Zo nam zijn kudde toe. Als je je natuur beheerst, als je deze kan sturen vanuit de objectiviteit van je hogere zelf, dan gaat je leven floreren. Dan ga je niet miezeren om meer, maar het gaat bloeien. Je leert je inzetten. Iedereen die deze omkering maakt van ontvangen naar inzetten, die gaat bloeien, bij wijze van spreken. Jacob wordt Israël als hij de strijd in de ziel vecht; dat wordt gezien als de strijd met de engel, je kunt ook zeggen: de strijd met zijn schaduw, de strijd met zijn angst voor zijn broer Ezau, ofwel de strijd met zijn ego. Deze strijd speelt zich af in de ziel. Het is een strijd die iedereen alleen heeft te strijden. Het heeft te maken met geestelijk volwassen worden, namelijk volledige verantwoordelijkheid gaan dragen voor je leven. Er is geen papa, geen mama, geen schoonzus, geen God, die je de schuld kunt geven, je gaat de verantwoordelijkheid zelf dragen. En je gaat zoeken naar zingeving en je gaat langzamerhand je ziel kennen.
Dan ben je er nog niet, het is een spirituele valkuil als je denkt: nu weet ik wie ik ben, nu weet ik wat mijn taak is. Het is de bedoeling dat je die taak gaat dóen, in overgave. Dat je de signalen gaat volgen om die taak uit te voeren. Dat je heel alert gaat worden: wanneer moet ik linksaf, wanneer moet ik iets doen, wanneer moet ik iets laten, wanneer moet ik zwijgen, wanneer moet ik spreken?

 Kun je dit verhaal ook in relatie brengen met het verkrijgen van het huis voor het werk in De Expeditie?

 Magda: Twintig jaar lang hebben we in De Expeditie gewoond met een huurcontract, dat per 1 december 2008 afliep. We wilden er graag nog blijven om ons werk voort te zetten maar de eigenaar wilde het verkopen. Na lange gesprekken wilde hij het uiteindelijk toch voor een flinke prijs aan ons verkopen.  Omdat we te oud zijn om iets nieuws te beginnen en te jong om te stoppen, hebben we gezegd dat we zouden proberen het bedrag te verzamelen. Onze insteek was: als er inderdaad een kring om ons heen is die het project ondersteunt, kunnen we in het huis blijven, zo niet, dan wordt het duidelijk dat we niet moeten blijven. Begin september 2008 is de wervingsbrief de deur uitgegaan en op 19 januari van dit jaar is het huis gekocht door de Stichting Geweldloze Verandering. In die korte tijd is er ongeveer 200.000 euro verzameld aan giften en renteloze leningen. Dat bedrag was voldoende om een hypotheek te krijgen. Dank zij heel veel mensen is het gelukt. Ik heb het niet zozeer als spannend ervaren, ik heb in mijzelf een heel rustig vertrouwen gehad en vertrouwen hoort inderdaad bij de ziel. Ik heb in mezelf bijna als mantra gezegd: als God het wil dat we hier blijven, dan blijven we hier. Niet zo vaak hardop, maar wel vaak gebeden, gedacht, en zo is het ook gegaan. Nu zitten we met het probleem dat we het huis ook moeten onderhouden! Daar dragen we geheel de verantwoordelijkheid voor.
De spirituele wereld en die van de computers
Op het ogenblik hoor ik over de toekomst, aan de hand van computermodellen bijvoorbeeld, dat wij in 2040 waarschijnlijk voor ongeveer 90 procent in de stad wonen. Ik zie ook dat alles heel erg op dat vlak gaat van computers, internet etc. Als ik dan naar déze wereld kijk en naar de wereld waar jij het over hebt, kan ik ze niet verbinden met elkaar. Kun jij daar iets over zeggen?

 Magda: Laat ik een poging wagen. Computers, mobieltjes, dat hoort allemaal bij hod, dat is de kwaliteit, de functie van informatie, communicatie. In feite niets anders dan de postkoets in de middeleeuwen. Uitgebreider weliswaar, maar wezenlijk hetzelfde, het is communicatie. Flitsend, snel, net als de snelheid op de beurs. Hod is ook, als je naar de planetenwereld kijkt, Mercurius. Mercurius krijgt informatie en geeft die door. Maar informatie kan ook misbruikt worden. Mercurius was ook de god van de dieven, hij besliste vaak zelf wanneer hij de informatie doorgaf en wanneer niet. Dit gedrag zie je ook bij ambtenaren. Hun taak is informatie ontvangen en doorgeven, maar vaak kiezen ze zelf het moment waarop ze informatie doorgeven Ze voeren er op die manier macht mee uit. Dit is niet meer of minder dan de cirkel van het vegetatieve. Het ene mobieltje na het andere, alsmaar door. De maatschappij, de massa zegt: je moet een mobieltje hebben. De computer heeft niets met de ziel te maken.

 Maar de invloed van de computer is enorm. Gebouwd wordt er via de computer. De computer is aangesloten op de fabriek. De wereld verandert op een soort computersnelheid. Helpt dat hierbij, of juist niet?

 Magda: Alles wat is, kan ten goede of ten kwade gebruikt worden. Er wordt gehackt, gelekt, gestolen, gedreigd, etc. De andere kant is dat er veel informatie beschikbaar is als je die nodig hebt, maar dan nog is het de vraag hoe je die gebruikt. Maar met de ontwikkeling van de ziel heeft het niets te maken. Iemand kan wel via informatie van internet in contact komen met zijn ziel, maar het middel computer gaat niet over het humane, maar over het mechanische en het technische.

 De laatste tijd wordt er veel nagedacht over de nieuwe ‘homo zappiens’; niet alleen maar de communicatie neemt toe, maar ook menselijke persoonlijkheden en karakters lijken te gaan veranderen. Tegelijkertijd is er wel steeds de klacht: ‘ik raak mijn ziel kwijt’, van mensen die helemaal op dit soort communicatienetwerken lijken te zijn afgestemd. Jonge mensen (ik zag dat in het artikel van Wijffels in z’n gastlezing op Nijenrode) die zeggen: ik ben iets helemaal kwijt. Tegelijkertijd zie je een overweldigend toenemen van alleen maar dat oppervlakkige communiceren. Hoe moet dat met al die mensen die denken hun ziel kwijt te zijn?

 Magda: Misschien ontdekken ze door de computers en door de hele toestand op het gebied van communicatie sneller dat ze een ziel hebben, en kunnen ze dat gaan formuleren. Heel veel mensen weten niet dat ze een ziel hebben. Als ze achter de computer gaan zitten kunnen ze dat misschien sneller leren. Maar dat kan ook achter de lopende band, of als je een steenhouwer bent in Nepal, er zijn allerlei manieren. Je kunt mechanische dingen ook alleen maar lang volhouden als je ze mechanisch doet. Op het moment dat je ontdekt: hé, m’n ziel krijgt dorst, of wil gevoed worden, dan blijf je dat mechanische misschien nog wel doen, maar anders, met meer structuur, gematigder, bewuster. Dat kan alleen maar als je je wil kan sturen. Je moet kunnen herkennen wat er in je lichaam en in je ziel gebeurt, en dan je wil aanzetten om het minder te doen, of je waarden te veranderen en niet mee te gaan in die race.

 Ziel, wil en intuïtie
Kunt u iets zeggen over het verschijnsel dat de ene mens wel z’n weg vindt naar een soort vervulling en de andere mens niet, terwijl we toch vaak een soort intuïtie hebben dat we de verkeerde weg zijn ingeslagen?

 Magda: In de Kabbala wordt uitgegaan van reïncarnatie, dat wil zeggen dat er oude en jonge zielen zijn. Die jonge zielen zijn allereerst aan het verkennen in de wereld van het fysieke. Ze moeten zich leren redden in een lichaam, ze moeten de wet van de zwaartekracht leren kennen, ze moeten hun vaardigheden en talenten uitproberen, weten wanneer ze met hun kop tegen de muur lopen. Hoe ouder een ziel is, des te meer er stilgestaan kan worden bij de vraag: wat heb ik gedaan, wat heeft dat leven me opgeleverd in de periode tussen de twee levens? Als dat al in het bewustzijn gekomen is, kan er bewuster gekozen worden. Alles wat er aan bewustzijn is in de periode van verwerking van een leven, wordt meegenomen vanaf het moment van de nieuwe geboorte. Je hebt mensen die op het vegetatieve niveau floreren en ook nuttig en nodig zijn. Je hebt ook mensen die op het animale niveau nuttig zijn, floreren, er helemaal in opgaan. En soms zie je in animale levens een moment van: ik kan niet meer wat ik deed. We hebben ooit actie gevoerd bij de kerncentrale bij Dodewaard. We werden daar weggesleept door de ME en op een gegeven moment kwam er een commandant van de ME naar ons toe en die zei: ‘Wat hebben jullie wat ik niet heb? Ik ben gelukkig getrouwd, ik heb een fijn gezin, een goeie baan, een goed salaris, maar jullie hebben iets wat ik niet heb, wat is dat?’ We hebben daar een heel uitgebreid gesprek over gehad. Dit overkomt mensen wel meer, dat ze een hele tijd functioneren in een baan, en opeens kunnen ze het niet meer. Ze gaan dan soms letterlijk, maar vaak figuurlijk, ‘een pelgrimspad lopen’.

 En degenen die dat wel voelen maar het niet kunnen, die bereiken dat dan waarschijnlijk in een volgend leven?

 Magda: Dat hang van de wil af: ben je bereid om een heleboel op te geven, ben je bereid en heb je de moed om uit je sociale milieu te stappen. Zodra je aan de verandering van het dieper leven naar de essentie van je ziel toekomt, ben je minder gelukkig met de vrienden en vriendinnen die je hebt. Die begrijp je niet meer en je kunt de kloof naar de anderen niet meer overbruggen. Dan valt er vanzelf een groep vrienden en kennissen af, maar er komen nieuwe bij. Het is een kwestie van willen, de moed hebben, en soms lukt dat niet.

 Ja, maar er is natuurlijk een verschil tussen de ziel en de wil. De ziel gaat verder….

 Magda: …de ziel is het voertuig van de vrije wil. Er zijn verschillende niveaus van wil.

 Maar als ik in dít leven ben, heb ik déze wil. En ik weet niks van een volgend leven of een vorig leven.

 Magda: Nee, dat hoeft ook niet. Je hebt nu de wil van dit lichaam. De wil van het ego, je bent wilskrachtig, je bent willoos, je bent een beetje slap, een beetje duf, en je hebt de wil van de zelfkennis. Dat is een andere wil dan de wil van ‘ik wil wat bereiken’.

 Dat bedoelde ik. Hoe komt het dat zich dat verschillend openbaart in mensen?

 Magda: Het is een kwestie van ervaren, van op een gegeven moment de moed hebben naar die wil te gaan luisteren. Veel mensen horen de innerlijke stem, weinigen luisteren er naar. Een innerlijke stem kan een uitdrukking van jouw wil zijn, je kan ervoor kiezen om die stem te gaan volgen, of je kan ervoor kiezen om dat niet gehoord te hebben, om dat te ontkennen. Het is een heel individuele keuze.

 Waarheidsmomenten
In Deventer, waar ik woon, heb je het Etty Hillesum Centrum. Een jonge Joodse vrouw, die heel bijzondere dingen heeft meegemaakt en ook heel bijzondere keuzes heeft gemaakt. Zou dat terug te voeren zijn op dit soort keuzemomenten, haar diepe mystieke ervaringen in de relatie met haar ouders en in concentratiekampen?

 Magda: Zij is een vrouw die in haar dagboeken veel waarheidsmomenten heeft beschreven, en zij heeft zich losgerukt van allerlei sociale oordelen. Ze heeft niet voor haar eigen hachje gekozen, ze had waarheidsmomenten, ze wist wat ze moest doen. Dat komt uit een heel diepe laag van de geest en druppelt door tot in de ziel. Soms weet je dat je iets moet doen en kan je het aan niemand meer uitleggen. Het heeft niets met logica te maken. Ik heb mijn dissertatie over de geschiedenis van de Hongaarstalige Protestanten in de twintigste eeuw in Roemenië geschreven en een heleboel mensen zeiden: ‘Stop er toch mee, stop toch met dat Hongaars, wat heb je eraan?!’ Ik wist dat ik het moest doen, ik heb er vier jaar aan gewerkt. Niemand begreep wat ik aan het doen was. Ik kon alleen maar zeggen dat ik het moest doen, maar ik kon het niet uitleggen. Ik ben er ook een tijdje voor weggelopen. Ik wilde terug naar Nederland, op één plek zijn, bij mijn kinderen zijn, enz. Maar toen kwam het bericht van mijn professor in Roemenie dat de geheime politie boeken aan het weghalen was uit de Hongaarse theologische bibliotheek in Cluj/Kolozsvar: ‘Ze zijn de Hongaarse cultuur aan het vernietigen’. Toen besloot ik het te gaan doen.
Een ander waarheidsmoment heb ik samen met Abel meegemaakt in Tuzla. Wij waren in februari 1996 in Tuzla om een training te geven over conflictoplossing en bemiddelen aan mensen die de oorlog overleefd hadden, mensen uit de media, onderwijs, vrouwengroepen. We liepen op straat en zagen daar al de vrouwen uit Srebrenica lopen, verdrietig, in paniek, boos, alsmaar vragend waar de mannen gebleven waren. Dat raakte ons diep. Ik voelde me heel Nederlands en ik werd ook een beetje bang: als ze weten dat ik uit Nederland kom, wat doen ze dan? En na een dag of drie rondlopen, hebben we gezegd: ‘we moeten naar ze toe, we moeten zeggen dat we uit Nederland komen en vragen hoe het met hen is’. Dat is voor mij een waarheidsmoment geweest. We zijn naar ze toegegaan en hebben gezegd: ‘We zijn uit Nederland, hoe is het met u?’ Toen is de presidente van de vrouwenorganisatie haar hele geschiedenis vanaf de basis met Dutchbat gaan vertellen, tot en met haar deportatie naar Tuzla, en aan het eind zei ze: ‘Het doet me ontzettend goed om dit aan Nederlanders te vertellen, want we waren daar samen. We hebben samen op luchtsteun gewacht en zou u het mogelijk willen maken dat meer vrouwen uit Srebrenica hun verhaal aan Nederlanders kunnen vertellen?’
Dat zijn we gaan doen en dat is 10 jaar werk geworden. Dat we wisten dat we contact moesten maken, was een waarheidsmoment. Hadden we het niet gedaan, dan zouden we ons daar lang ellendig onder gevoeld hebben. Wij waren ook de eerste Nederlanders, zeiden ze, die vroegen hoe het met hen was. Nederlanders kwamen wel helpen, om goederen te brengen en zo, maar niemand vroeg: ‘Hoe is het met u?’ Het is eigenlijk de vraag van de King Arthur legende: ‘What ails thou’, wat mankeert u, wat schort er aan? Het is zo’n wezenlijke vraag en in wezen is het zo eenvoudig. Het is een vraag met consequenties. Het vermoeden van de gevolgen van een vraag weerhoudt vaak van het stellen van de vraag.

 Ik werd zeer getroffen door uw uitspraak dat wij de natuur wel zijn gaan beschouwen als een patiënt, en dat wij te weinig natuur in onszelf erkennen. Dit raakt me heel diep, en ik denk dat daar ook heel veel conclusies uit te trekken zijn. Het gaat namelijk over de intrinsieke waarde van de natuur, en tegelijkertijd het recht van de natuur en ook het respect dat wij moeten hebben.

 Ontvankelijkheid en sturen
Ik krijg de indruk dat jij in de voortgang die wij zelf kunnen maken op onze weg, vooral de wil benadrukt. Is dat zo? Is ontvankelijkheid, je open kunnen stellen, ook niet heel belangrijk?

 Magda: Ik heb de wil benadrukt in de zin van de wil om het vegetatieve en dierlijke in ons zelf te leren kennen. Het lichamelijke heeft een enorme aantrekkingskracht, het sociale heeft een enorme aantrekkingskracht. Dus er is een wilsimpuls nodig om op die aantrekkingskracht te gaan reflecteren om te leren sturen in plaats van erdoor gestuurd te worden. Heel veel mensen hebben hun zwaartepunt, hun middelpunt, in het lichaam liggen, anderen bij het ego. Het is juist het zoeken: hoe kom ik bij mijn essentie en hoe kom ik tot overgave. Zolang je het mechanische van het leven z’n gang laat gaan en het niet kan sturen, ben je er een willoos instrument van, dan ben je een instrument van je patronen. Er is dus wil, energie, gerichte energie (=wil) nodig om je lichaam te gaan sturen. Daar kan je jezelf in scholen. Vasten is er een voorbeeld van. Je kunt tegen je lichaam zeggen: we gaan een poosje niet eten. Of als je slaap hebt: we gaan nog niet slapen. Geef dat dier en die plant in je wat ze nodig hebben, maar laat je er niet door bepalen. In de driehoek van de ziel, chesed, gevoera en tiferet,gaat het over mijn wil. Mijn diepste essentie. En vervolgens gaat het om de overgave van de wil aan het goddelijke. Wat Jezus aan het kruis zei: ‘Niet mijn wil, maar uw wil geschiede’. Dat is een ander soort wil, een heel diepe, geestelijke wilsovergave. Dus het gaat wel degelijk uiteindelijk om overgave, maar daar ben je niet zomaar. Het is een weg van ontwikkeling, het in fases leren kennen van de wil.

 Groepsziel
Zouden dieren en planten een ziel hebben, of blijven ze steken daar, in het midden van de levensboom? Als ik naar de natuur kijk, naar planten bijvoorbeeld, dan lijkt het of er als het ware natuur, of er ziel boven zweeft. As ik een dier in de ogen kijk, dan denk ik dat er meer is.
 Magda: In de Kabbala wordt gezegd dat dieren een groepsziel hebben, de ziel van de soort waar ze toe behoren Je zei het al: over dat veld hangt meer, er is een groepsziel. Een mens heeft een plantaardige en een dierlijke ziel, in het Hebreeuws nefesh, dat is de plantaardige of dierlijke ziel. Maar een dier heeft geen menselijke ziel. Een dier kan pijn hebben, een dier kan dicht bij mensen komen, maar een dier kan niet denken dat hij dier is. De mens heeft zelfbewustzijn, de mens kan scheppen. Een dier kan uitvinden dat hij met een stok beter bij zijn voedsel kan, maar hij kan geen koffiezetapparaat ontwerpen. Dat is een volledig creatief idee, en dat is het kenmerk van het bewustzijn van de mens. De mens is geschapen naar gods beeld, de dieren zijn geschapen. Er wordt gezegd dat dieren een groepsziel hebben, en naarmate dieren dichter bij de mensen komen, zoals onze huisdieren, kunnen de zielen die deel uitmaken van een groepsziel, een iets meer individueel karakter krijgen. Maar een mens kan individu worden, dat betekent: ‘ongedeeld’. Een mens kan kijken naar zijn driften, naar zijn aandriften, naar zijn gevoelens, naar zijn mechanisch functioneren, en hij kan daar invloed op uitoefenen. De mens kan heel, een worden.
Een mierenvolk, een bijenvolk, heeft een nefesh, een groepsziel, en elk deel van dat volk vervult een rol, doet de taken die gedaan moeten worden. Maar er is geen individueel bewustzijn in de zin van ‘ik ben mier X die de taak heeft de takjes van A naar B te slepen.’

Terug       Top

November 2009