Home > Publicaties > Dhont

Rudy Dhont Transitie, veerkracht en spiritualiteit

Stoutenburglezing 14 oktober 2012 door Rudy Dhont

19 november 2012. Dit is de geautoriseerde tekst van de lezing en van het gesprek met de zaal,

De lezing en het gesprek zijn ook verschenen in een mooie brochure met dezelfde titel.

LEZING

Groei. En het Web van Bestaan

Het moet najaar 2008 geweest zijn. Ik lig in bed. De wekkerradio brengt het verbijsterende nieuws: we staan aan de rand van een wereldwijde recessie. We dreigen namelijk onder de 3% groei te zakken. Het maakt me klaarwakker. Onder de nul zakken, dat klinkt niet goed. Maar onder de 3%?? Waarom moeten we groeien om overeind te blijven?

Enkele uren later sta ik voor de klas in de economische hogeschool. We beginnen te cijferen. Zelfs met deze ‘minimale’ 3% groei, maken – met de huidige levensverwachting – sommige van mijn studenten nog de verachtvoudiging mee van de wereldeconomie. De zo begeerde groei smaakt wrang als we kijken hoe onze planetaire ecologie ervoor staat en hoe het zit met onze sociale draagkracht. We groeien ons te pletter.

Het is juni 2011. Ik zit al sinds zonsopgang op deze plek aan de rivier. Geen boek, geen uurwerk, geen telefoon, geen muziek. Alleen de afspraak met mezelf dat ik op deze plek blijf tot het donker wordt. Dat is ongeveer 16 uur. In de late namiddag gebeurt het: ik zak weg in het grote Web van Bestaan.

Ik lees even uit het dagboek dat ik bijhoud voor dit soort solo’s.

“De dag heeft mijn denken opgeslokt.
Ik sta rechtop en kijk, mijn wandelschoenen diep in de oevermodder gezogen.
Bewegingloos.
Minutenlang. Een kwartier. Een halfuur.
Ik ben een levend starend standbeeld.
Er is geen enkel stuk van mezelf dat ik zie.
Ik zie.
Ik zie de rivier, ik zie de andere oever, ik zie de heuvels erachter.

Ineens ben ik weg. Ik verdwijn.
Ik ben enkel ogen.
Ik ben het landschap dat naar zichzelf kijkt, dat zichzelf waarneemt.
Dat zich evolutionair plots van zichzelf bewust wordt.
Ik ben niets anders dan de ogen van deze plek.”
(eigen dagboek – juni 2011)

Rudy Dhont in StoutenburgIk wil vandaag met jullie enkele gedachten delen ‘tussen deze twee gebeurtenissen in’. We beginnen met even te kijken naar de noodzaak van verandering, om vervolgens in te gaan op de vraag hoe we moeten antwoorden op de grote uitdagingen. Daar bekijken we ook hoe het transition towns-model als antwoord op die uitdagingen eruit ziet. In een volgende stap proberen we te zien hoe anders het is als mensen door een veerkrachtbril naar de werkelijkheid kijken. Enkele zoek- en leerlessen brengen me tenslotte tot mijn laatste punt: over spiritueel zijn of ‘niet meer zijn’.

Achter de paar gedachten die ik met jullie wil delen zit een veel groter verhaal. Al een kleine tien jaar (maar in zekere zin ook al langer) ben ik er voor het grootste deel van mijn tijd mee bezig: aandachtig rondkijken en luisteren, om te begrijpen wat ons overkomt op deze knik in de geschiedenis. Om te begrijpen ook waar we naartoe moeten.

Op die manier ben ik een labyrint aan het wandelen: een pad vol kronkels en nieuwe perspectieven. Het was dan ook een aangename verrassing dat we hier met zijn allen letterlijk in een labyrint zitten. Misschien heb je het nog niet gemerkt, maar op de vloer van de zaal is een labyrint aangebracht.

We kunnen niet anders

Veranderen of verandering ondergaan. Dat is zowat mijn inschatting van de situatie waarin we ons bevinden, en ik deel die allicht met veel bezorgde mensen. Eén en ander kan zo niet verder, of we dat nu prettig vinden of niet. Of we daar nu klaar voor zijn of niet.

Mensen, economieën, gemeenschappen, landschappen, kruidenierszaken, scholen, organisaties, het Franciscaans Milieuproject hier in Stoutenburg, … het zijn allemaal systemen. Systemen kunnen van alles doen. Ze kunnen allerlei dynamieken vertonen, zoals je op de figuur ziet.

Maar er is één dynamiek die bij een systeemdenker of systeemobservator onmiddellijk het alarm doet afgaan: de exponentiële groeilijn. Deze dus.

Voor de systeemdenker die ik probeer te zijn, betekent deze lijn dat het grondig misgaat. Of het nu gaat om waterverbruik, papierconsumptie, het aantal auto’s op deze planeet, de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer, het aantal buitenlandse investeringen of het BNP… de exponentiële groeilijn betekent dat het systeem in overdrive gaat. Het komt terecht in een soort zelfdestructieve runaway-modus: het systeem is alle remmen kwijt en jaagt zichzelf aan tot het onhoudbaar wordt.

Toch even opletten. In de bestuurskamer van transnationale ondernemingen en zeker van financiële concerns betekent deze lijn het omgekeerde: het gaat grondig goed. De meeste politici sluiten zich hierbij aan. Als de interest op mijn spaarboekje dat doet, vind ik trouwens ook dat het grondig goed gaat.

Maar de tekenen van overdrive – van onhoudbaarheid – zijn ondertussen genoegzaam duidelijk. Ik haal daartoe even het grote drietal aan dat jammer genoeg niet zo vaak ook in zijn onderlinge samenhang bekeken wordt: klimaat, energie en geld.

We moeten ons hier tot een notendop beperken, maar in die notendop is dit wat gebeurt.

Klimaatverandering. Het is een vaststelling van de wetenschappelijke gemeenschap en van inheemse volkeren dat er zich een klimaatverandering voordoet die zich buiten de (gekende) natuurlijke corridors beweegt. Het is een door de mens aangejaagde verandering die vooral te wijten is aan het aanwenden van fossiele brandstoffen in een zich verder globaliserend industrieel groeimodel. Het doet ons vrezen voor runaway scenario’s en heeft (mogelijks) adembenemende gevolgen voor de hele ecologie van het bestaan. Waartoe wij behoren. Dat is hier allicht wel duidelijk, maar dat is niet overal zo.

Piekolie. Dit is het terrein van de ex-olieinsiders: mensen die de olie-industrie van binnenuit kennen en nu – vanuit een blik op het totaalplaatje – aan de alarmbel trekken. We zitten vast in een totale systeemafhankelijkheid van goedkope fossiele brandstoffen. Met piekproductie van gas en steenkool in het vooruitzicht, en voor olie misschien reeds achter de rug, gaan we een tijd tegemoet waarin de flow of beschikbaarheid van deze fossiele brandstoffen afneemt. Terwijl we er wereldwijd voor ongeveer vier vijfde van de totale primaire energie op draaien, er geen netto-alternatieven zijn op de schaal nodig, en we voor het overeind blijven van ons systeem toch moeten groeien. De systeemwaanzin van daarnet dus.

Geld. Een ingewikkelde zaak. Wat ons overkomt is volgens mij dit: ons geldsysteem implodeert als virtuele turbo (maar reële aanjager) van een industriële groeisamenleving. Steeds meer geld wordt als schuld in het leven geroepen. Voornamelijk privé-banken creëren – eigenlijk de facto uit het niets – geld dat aan hen moet terugbetaald worden. En dat met rente aan hen moet terugbetaald worden. Op die manier wordt de reële economie dubbel aangejaagd: er moet steeds meer economische activiteit ontplooid worden om de schulden (aan de volgende generaties) af te betalen. Daar bovenop – parasiterend – bevindt zich een losgeslagen financieel-monetaire economie waar via ingewikkelde constructies en speculatie geld geld maakt. En dat zich in times of trouble voedt met (belasting)geld uit reële economieën en de bestaanszekerheid van concrete mensen.

Neem deze drie samen en we hebben meteen de levensgrote paradox – of beter: de catch 22 – waarin we ons bevinden. To keep going we must keep growing. Maar als we blijven groeien, dan groeien we tot buiten de draagkracht van de sociale en ecologische systemen waar we deel van uitmaken – onze (ook meer-dan-menselijke) samenlevingen zeg maar. Alles wijst er trouwens op dat we die draagkracht volop op de proef stellen, en het is maar de vraag hoe lang we op dit punt in het rood kunnen blijven. Maar als we niet groeien, dan betekent dat minder consumptie, minder productie, minder werkgelegenheid, minder overheidsinkomsten, enz… In principe is dat goed voor onze ecologie – de ‘echte’ grond van ons bestaan. Voor onze moderne huishoudkunde ligt dat echter anders: daar hebben we die grond van ons bestaan ingeruild voor productie, consumptie en geld. En als dat systeem begint te stotteren is de ravage, via domino-effecten, eveneens ronduit verwoestend voor mensen en hun levens.

Het lijkt wel kiezen tussen de pest en de cholera. Hoewel. Valt er eigenlijk wel te kiezen? Laten we niet vergeten dat er met ecologische systemen niet echt te onderhandelen valt en dat de economische inrichting van een samenleving een kwestie van keuzes is. En dat er dus ook voor alternatieven kan gekozen worden.

De catch 22 is trouwens typisch één van die situaties die op een ander niveau een oplossing moeten krijgen. Maar ik wil hier nog niet de sprong maken naar het laatste deel van mijn lezing.

Proberen verstaan wat ons overkomt

Het gebeurt wel eens in de colleges dat studenten naar adem moeten happen als we deze uitdagingen uitgebreid onder de loep nemen. Maar we kunnen niet anders. (En we doen trouwens ook meer dan dat.)

Als we willen antwoorden op deze uitdagingen, dan moeten we begrijpen waar het schoentje precies knelt, anders krijgen we gewoon meer van hetzelfde. Een term als alternatief helpt ons niet vooruit als we niet grondig begrijpen waarvoor dat alternatief dan wel alternatief is.

Neem nu alternatieve brandstoffen, of alternatieve vormen van energie. We kunnen toch niet menen dat we naar alternatieven moeten zoeken om ons huidig systeem aan te drijven: dat verandert niets aan onze catch 22 die ons in groei gevangen houdt. We hebben een alternatief verhaal of een alternatief systeem nodig: een ander dan een fossiel aangedreven industrieel-financieel groeimodel.  En allicht zullen alternatieve vormen van energie daar een plaats in hebben: maar dus wel als deel van een ander, groter verhaal.

En dan nog vraag ik mij af waarom mensen bij zonne-energie aan fotovoltaïsche panelen denken, en niet aan bomen. En bij een mobiliteitscrisis lijkt het voor de hand te liggen dat we nog meer mobiliteit proberen te organiseren, in plaats van het omgekeerde. Zo’n dingen doen de vraag rijzen of we wel voldoende buiten de vertrouwde doosjes durven denken. Overigens veel moeilijker dan vaak gedacht.

De ‘grote antwoorden’ van de voorbije 25 jaar

Hoe antwoorden op de uitdagingen? Laten we even kijken naar een aantal van de concepten die de grote antwoorden van de voorbije 25 jaar gevormd hebben. Dat lijkt theoretisch, en sommige mensen zullen allicht vinden dat dat er allemaal niet toe doet, en dat we gewoon aan de slag moeten.

Maar er is niets zo praktisch als een goede theorie. En ‘gewoon aan de slag gaan’ is meestal bijzonder gevaarlijk – het is een werkwijze die doorgaans het bestaande versterkt. Precies omdat er geen tijd te verliezen valt, is het paradoxaal genoeg goed om niet overhaast te werk te gaan.

OK. Voorgestelde oplossingen dus. Wat is het meest gehoorde antwoord op de zonet voorgestelde cluster van uitdagingen? Op de problemen waarvoor we staan aan het begin van de 21ste eeuw? Eigenlijk het meest gehoorde antwoord op gelijk welk ernstig probleem?

“Economische groei”. (En niet: recycleren, een mentaliteitswijziging, maatschappelijk verantwoord ondernemen of duurzame ontwikkeling bijvoorbeeld.) We kunnen niet om de vaststelling heen dat de systeemdwang hardnekkig is. Er zijn dissonante stemmen, maar voor de rest blijft het vrij unisono klinken: meer van hetzelfde. Groei. We groeien er ons wel uit.

Maar zoals al duidelijk: in de meeste, ernstige systeemanalyses is dat net een symptoom van de problemen. U zult me dus geen pleidooi voor groei horen houden…

Laten we even kijken naar onze klassiekers. Grofweg zie ik drie golven, die allemaal iets heel zinnigs vatten, maar toch fundamenteel anders aanvoelen. (Ik ben me ervan bewust dat niet iedereen deze concepten op dezelfde manier invult of begrijpt. Maar het levert wel interessante inzichten op als we denkkaders – ook in hun vaak onuitgesproken vooronderstellingen – met elkaar gaan vergelijken. Wat volgt heeft dus niet zozeer met beoordelen te maken, dan wel met een poging om één en ander te begrijpen, en niet onbelangrijke verschillen of nuances te zien.)

Eerst in het rijtje staat het concept van “duurzame ontwikkeling”, later: duurzaamheid. Het Brundtlandrapport dat in 1987 deze idee wereldkundig maakte, heeft het over “ontwikkeling duurzaam maken (houdbaar, vol te houden) zodat ze voorziet in de behoeften van de huidige generaties zonder de mogelijkheid van toekomstige generaties te compromitteren om in hun behoeften te voorzien”.  Dat wil ik voorlopig even karakteriseren als het ‘volhouden’-schema. Het is naar mijn aanvoelen in de hoofden vaak gekoppeld aan een typisch westers trekje, namelijk het apocalyptisch denken. Maar goed: het ‘volhouden’-schema.

Later zie ik vooral termen als “transitie” verschijnen, en “paradigmaverschuiving”. Ondanks Rio, Johannesburg, Kopenhagen, Cancun (en nog meer) blijven we tegen de realiteit aanlopen: er is ontnuchtering, ontgoocheling, ontkenning… Het lukt niet. De duurzame ontwikkeling lukt niet? Op enkele na, zijn mijn studenten overigens allemaal na het Brundtlandrapport geboren; we praten dus al heel hun leven. Stilaan ontstaat de idee dat we een grondige omslag moeten maken: de dingen moeten anders – fundamenteel anders – aangepakt worden. We krijgen een discours dat rond de termen transitie, paradigma- of regimeverschuiving draait. Dit zie ik als het schema van de overgang, de structurele verandering of mutatie, transformatie. Hoe geraken we uit deze impasse? Hoe maken we de transitie van ‘onheilzame situatie A’ naar ‘gewenste situatie B’?

En dan is er het concept “veerkracht” dat stilaan de hoofden binnenwaait, en – ook al is het er al langer – nu hier en daar opgepikt wordt. Niet verwonderlijk: de schokken worden stilaan overduidelijk, en daar moet veerkracht tegenover gezet worden. Ook de groep die VN secretaris-generaal Ban Ki-moon adviseert over strategieën voor duurzaamheid gooit het ondertussen over die boeg. Getuige de titel van hun adviesrapport van januari 2012: “Resilient People. Resilient Planet.” De veerkracht van een systeem – onze samenleving bijvoorbeeld – is de capaciteit van dat systeem om verstoring en schokken te absorberen en zichzelf te herorganiseren terwijl het verandering ondergaat. Nu we nog minder het gevoel hebben dat we beweging in de onduurzame zaak krijgen, zullen we misschien inderdaad vooral een beroep moeten doen op onze veerkracht. Om te incasseren en/of ons te heroriënteren. En we hebben de voorbije tijd wel wat schokken gezien. Vraag maar aan de Ieren, de Grieken en de Spanjaarden.

Met dit veerkracht-schema zitten we op een heel ander niveau: het schema van ons eigen vermogen of ons “verandertalent”, van wie we zijn, van wat we in huis hebben, van waar we kunnen op rekenen in onze gemeenschappen. Van welke verrassingen we aankunnen. Het is ook een beetje een verschuiving van buiten naar binnen: we zoeken als het ware niet naar verandering (‘daar, buiten ons’), maar naar veranderkracht (‘hier, in ons’).

Misschien wat overdreven vereenvoudigd, maar toch in zekere zin leerzaam. We zien een verschuiving: van volhouden (waar we mee bezig zijn), over veranderen of transitioneren (naar waar we naartoe willen of moeten), tot over de capaciteiten en het vermogen te beschikken om deze ruwe zee te bevaren.

Vragen bij concepten

Het is niet de bedoeling van deze lezing om uitgebreid op deze drie concepten of golven in te gaan, maar toch past het om bij elk toch wat vragen te stellen. Zelf vind ik het veerkracht-schema een aantal voordelen hebben – het is immers een schema dat verandering en beweging als de normale gang van zaken beschouwt, en dat lijkt me meer in overeenstemming met de ecologie van het leven zelf. Maar het is natuurlijk niet noodzakelijk zo dat als je in veerkrachttermen denkt, dat je dan ‘goed’ zit.

Hoewel dus elke golf een belangrijk aspect blootlegt, is het wenselijk om ook telkens de vragen te blijven stellen. Goede vragen doen ons ook goed kijken. En vaak doen de vragen er meer toe dan de antwoorden.

Bij het schema van “duurzame ontwikkeling” (het “volhouden”-schema) kunnen bijvoorbeeld de volgende vragen gesteld worden:

  • En hoe zit het dan met de grenzen en limieten? Die zijn volgens het rapport niet ‘absoluut’ (limits, but not absolute limits zegt de volgende zin in het rapport), en dat lijkt te wijzen op het niet aanvaarden van fysiek-energetische grenzen. Wat we erover denken is (dus) niet in overeenstemming met de realiteit – of wat?
  • Durven we nog wel sterven en doden? Is dit de droom van de eeuwigheid, van de eeuwige jeugd? Kunnen we nog afscheid nemen? Niets is voor altijd.
  • Hoe problematisch kan de mythe van ontwikkeling worden? Zelf een zeer recent concept overigens als we kijken naar de context waarin het in het rapport voorkomt: Truman introduceerde het begrip ‘ontwikkelingsland’ in 1949.
  • Wat moet er eigenlijk duurzaam zijn: onze profit, of de grond van ons bestaan? En wat als profit en inkomen inderdaad ondertussen, de facto, de grond van het bestaan vormen: vraag, opnieuw, aan de Grieken en de Spanjaarden.
  • Hoe belachelijk – en voor een systeemdenker ronduit bevreemdend – wordt het als mensen het kunnen hebben over duurzame groei? Dan maakt men toch wel van heel veel realiteit abstractie.
  • Is duurzaamheid in de zin van volhoudbaarheid wel waar we naar streven? Stel iemand vraagt: hoe is de relatie met je partner? En je moet antwoorden: volhoudbaar…

En toch is er natuurlijk iets dat we niet mogen laten stuk gaan, dat duurzaam moet zijn, dat volgehouden moet worden: no ecology, no economy…

Ook bij het schema van “transitie” en “regimeverschuiving” (het schema van overgang, transformatie of verandering), vallen een aantal interessante vragen te stellen (al dekt de term transitie ondertussen ook al een veelheid van ladingen):

  1. Op het eerste zicht is dit soort denken schatplichtig aan systeemdenken (regimes en landschappen), maar is het bij nader toezien niet nog schatplichtiger aan marktdenken rond socio-technische systemen?
  2. En al die mensen en organisaties die Einstein citeren op hun blogs en websites en vervolgens vrolijk verder gaan met dezelfde manier van denken? (“Je kan een probleem niet oplossen met dezelfde manier van denken waarmee je het gecreëerd hebt.”)
  3. Bestaat situatie B wel? Welke droom van welk Eden zit hier achter? Hoe utopisch en atopisch is dit allemaal? Vergeten we niet al te makkelijk dat sommige problemen – in systeemdenken noemen we ze “wicked problems” – nooit uit de weg geruimd worden, en volgehouden culturele aandacht en bijsturing vereisen?
  4. En wie bepaalt eigenlijk waar we naartoe moeten? En dus wat de transitie inhoudt?

En toch kunnen we er niet onderuit dat grote veranderingen en transities nodig zullen zijn: if we don’t change our course, we’ll end up where we’re headed…

Bij het veerkrachtdenken duiken evengoed pittige vragen op. Om maar meteen met de allerbelangrijkste in huis te vallen: veerkracht op zich is toch niet noodzakelijk een goede zaak? Zo ken ik bijvoorbeeld een bepaalde manier van denken die aan de basis ligt van een mondiale industriële groeisamenleving die bijzonder veerkrachtig is. Weerbarstig. Hardnekkig. Zo veerkrachtig dus om er haast wanhopig van te worden.

En het schema kan bovendien met verbijsterend gemak ingepast worden in bijna elk ‘eigen verhaal’. Vanuit puur economische hoek is – in de huidige marktconstellatie – een bedrijf dat het niet nauw neemt met de eerbied voor werknemers en milieu in zeker zin veerkrachtiger. Veerkracht dus, tja: van wat en voor wat?

Eigenlijk is het veerkrachtdenken een integratieve theorie van verandering. Ze heeft het voordeel – volgens mij – van een dynamische vorm van systeemdenken te zijn die de hele duurzaamheidsuitdaging op een heel ander niveau laat zakken. Wie moeten we zijn als individuen, en vooral als gemeenschappen, om het goede leven blijvend gestalte te geven in barre tijden? Dat we er opnieuw achter komen dat we zullen moeten voorbereid zijn verrast te worden door de complexe werkelijkheid is volgens mij een stap in de goede richting: be prepared to be surprised…

Maar wat stilaan opvalt is dat nergens de inhoudelijke en zingevingsvragen kunnen vermeden worden. Zo lijkt het toch de bedoeling in het laatste schema dat alleen het wenselijke veerkrachtiger gemaakt wordt en het onwenselijke of ongewenste net minder veerkrachtig. U voelt het: we zijn volgens mij nog niet waar we moeten wezen. Eén en ander ligt op een dieper niveau.

Een tussenstop met plaatjes

Een concept uit systeemdenken dat me heel erg boeit is dat van de bounded rationality: mensen lijken vooral gewoon te doen wat hen zinnig, redelijk en verstandig lijkt binnen de denkkaders die ze hanteren en op basis van de (beperkte) informatie waarover ze beschikken. Dat is hier overduidelijk in het beeldfragment dat we bekijken: twee mensen zitten ‘vast’ op een roltrap die stilvalt omwille van een stroomonderbreking of iets dergelijks. Van op afstand is het lachwekkend: waarom lopen ze niet gewoon de laatste paar treden naar boven? Het doet ons in ieder geval vragen stellen bij al die situaties waarover we zeggen dat we ‘vast’ zitten (in het systeem). Hoe vast zitten we eigenlijk?

Maar tegelijk laat dit filmpje ook iets aanvoelen in verband met wat men doorgaans ‘systeemdwang’ noemt: het (denk)systeem legt immers als het ware een bepaald soort gedrag op ten koste van allerhande alternatieven ervoor.

Iets gelijkaardigs. Aan de hand van de twee figuren hieronder, zie je hoe de wereld verandert als je er anders naar kijkt. Het verhaal gaat dat Australische Aboriginals tot hun stomme verbazing twee blanke mannen vonden die van honger en dorst waren omgekomen terwijl ze toch in de buurt van eetbare knollen en drinkbaar water lagen. Hun “culturele” ogen lieten de blanken blijkbaar niet toe om de rijkdom van het landschap te zien (met daarin allerlei mogelijkheden tot eten en drinken). Waar de Aboriginals rijkdom en overvloed zagen, zagen de blanken slechts één grote zandwoestijn.

GreatSandyDesertWestern GreatSandyDesertAborigne

En nog een kleine denkoefening om ons in herinnering te brengen dat een echte paradigmaverschuiving – in hoe we kijken bijvoorbeeld – wellicht moeilijker is dan we ons vaak voorstellen. Aan de hand van onderstaand beeld: in transitie- en duurzaamheidsdenken hebben we het vaak over een “window of opportunity”, een (korte) periode waarbinnen ‘het zal moeten gebeuren’. Het moment dus dat we onze kans zullen moeten grijpen vooraleer het te laat is, en vooraleer dat raam zich opnieuw sluit. Maar: wat als die “window of opportunity” nu echt een raam is (een manier van kijken naar de werkelijkheid) en niet een periode of een “timeframe”?

http://www.deviantart.com/download/133850731/A_Window_of_Opportunity_by_JuneEggComfort.jpg

Transition towns

Het is voorjaar 2007. Ik ben in Totnes, in Schumacher College, en iemand komt me tussendoor aan tafel zeggen dat ik ‘s avonds absoluut naar de stad moet komen. Die avond wordt immers het nieuwe lokale geldsysteem boven de doopvont gehouden. Dat is zo één van die momenten dat je bijna van je stoel afschuift. En meteen ook het begin van een bijzonder boeiende kennismaking met transition towns.

Het is onmogelijk om hier transition towns breed uit de doeken te doen. Ik zal moeten volstaan met de idee en wat principes, maar ik wil wel duidelijk onderstrepen dat het op mijn jarenlange zoektocht rond duurzaamheid één van de dingen was die het meest tot me spraken. Dat transition towns zich in de komende jaren als een lopend vuurtje zou verspreiden (al meer dan 440 lokale initiatieven) bewijst dat het niet alleen voor mij inspirerend was en ‘goed zat’. Het is een heel holistisch model, al kan daarmee natuurlijk ook geen uitspraak gedaan worden over hoe het in de praktijk wordt gebracht. Een transition town heeft namelijk – per definitie als het ware – de kleur en het karakter van de lokale mensen die er gestalte aan geven. En waar mensen zijn, wordt er altijd gemenst.

In ieder geval wordt het volgens mij terecht genoemd als één van de belangrijkste sociaalecologische experimenten van de laatste jaren. Een transition town zou je kunnen omschrijven als een door een gemeenschap ondernomen en gedragen antwoord op de grote uitdagingen van klimaatverandering, energiepieken en economische krimp, dat zich vertaalt als het opbouwen van lokale veerkracht.

Wat transition towns karakteriseert is dat het om een wij-verhaal gaat: lokaal worden allerlei bruggen tussen allerlei mensen geslagen, met als bedoeling een veerkrachtiger gemeenschap op te bouwen. Vanuit een aantrekkelijk toekomstbeeld – een soort draaikolk die je in de rivier voor je uitgooit en waartoe je aangezogen wordt – worden stappen gezet in de richting van een toekomst die veel minder afhankelijk is van fossiele brandstoffen, en dus ook een antwoord biedt op klimaatverandering. Mensen worden erin als subject van verandering gezien (en niet als object): vanuit het kleurrijke, diverse en creatieve genie van de gemeenschap zelf, en via zichtbare manifestaties, wordt de transitie naar een andere, zelfs mooiere toekomst gestalte gegeven. Het gaat om hoofd, handen én hart. Het gaat dus ook om de zo noodzakelijke innerlijke transitie. Maar evengoed om de dagelijkse en concrete sociaal-economische realiteit waar men zich in beweegt. Als we kijken naar de ontstaansgeschiedenis van transition towns valt verder ook nog op dat permacultuur als denk- en ontwerpmodel een bijzondere inspiratie heeft gevormd.

Een beeld dat mij wel eens helpt om te verstaan wat veerkracht van een lokale gemeenschap betekent, is dat van die gemeenschappen die ‘zichzelf opbouwen’ terwijl ze samen een schuur overeind zetten. Misschien heb je wel eens eerder de beelden van de Amish of zo gezien: hoe de hele gemeenschap samen aan hetzelfde ‘project’ werkt.

Kijken door een veerkrachtbril

Stel je zit op een boot die aangemeerd ligt in de haven. En je moet een tot de rand gevuld glas water van de ene kant naar de andere brengen. Vooral een kwestie van snelheid en een vaste hand. Maar als die boot zich op open zee bevindt, is dat een heel ander verhaal: dan moet je ook nog in je beweging rekening houden met de dynamiek van de golven waarop de boot deint. Dat, in een notendop, is wat er met veerkracht bedoeld wordt: het is de capaciteit van een systeem om verstoring te absorberen en zichzelf te herorganiseren terwijl het verandering ondergaat. Deze definitie van veerkracht, zoals ze gangbaar is in de Resilience Alliance, slaat dus op het vermogen van een systeem om schokken op te vangen of te incasseren, om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden als dat nodig is, of zich zelfs om te vormen als de situatie dat vereist.

Ik kwam het veerkrachtdenken op het spoor via transition towns – de ondertitel van het Transitiehandboek is “Van olie-afhankelijkheid naar lokale veerkracht” – en ging het vervolgens uitgebreid exploreren. Ook hier weer slechts een tipje van de sluier. Ik loods ons even door een aantal van de kernconcepten om dan een voorbeeld te bekijken. Het lijkt allemaal wat technisch maar ik wil er misschien ook vooral mee aantonen dat het veerkrachtverhaal een heel stuk rijker is dan wat mensen zich intuïtief bij veerkracht voorstellen.

Een eerste, belangrijke punt binnen het veerkrachtdenken (opnieuw: zoals het binnen de Resilience Alliance gangbaar is) is dat de “eenheid van realiteit” een sociaalecologisch systeem is. Men bekijkt veerkracht dus op het niveau van een gekoppeld mens-natuur-systeem. Het meest voor de hand liggende voorbeeld daarvan is een regio: een streek met een zekere identiteit die komt uit het samenspel van de landschapselementen en de mensen die er wonen. Vertrekken van een regio als “eenheid van realiteit”, is iets helemaal anders dan wat we op veel plaatsen gewoon zijn te doen, namelijk het opdelen van de realiteit in departementen, aandachtsvelden, sectoren of thema’s. Het is toch belangrijk om het verschil te zien tussen kijken naar delen of aspecten (zoals daar zijn: economie, mobiliteit, cultuur, educatie, energie…) en kijken naar de gehelen (waarvan die aspecten deel uitmaken). Een wezenlijk kenmerk van systeemdenken.

Elk sociaalecologisch systeem is ook een complex adaptief systeem. Dat wordt het makkelijkste begrepen als we gewoon zeggen dat het om ‘levende’ systemen gaat met een zichzelf organiserende dynamiek, en met ontelbare en complexe interacties zowel binnenin het systeem als tussen het systeem en andere omvattende of ingebedde systemen. Ze kunnen dus veranderen, zich reproduceren, nieuws tot stand brengen. Het gedrag van een systeem is op heel wat momenten verre van voorspelbaar. Hier is veelal niet-lineariteit troef.

Sociaalecologische systemen bevinden zich meestal in een welbepaalde min of meer stabiele toestand (die beweegt rond een soort van attractor), maar bij drempeloverschrijding kunnen ze vrij plots ook in een heel ander soort toestand geraken. Je zou kunnen denken aan het vaak (wat ongenuanceerd) genoemde voorbeeld van het Paaseiland, dat van een welvarende en ecologisch rijke toestand terugviel in een veel armere situatie nadat de laatste boom geveld was. Het is allemaal wat ingewikkelder dan dat, maar op die manier krijg je er toch een idee van hoe systemen in een ander aantrekkingsdal in het stabiliteitslandschap geraken nadat ze een cruciale grens zijn overgestoken.

Van belang voor de veerkracht van een systeem is alvast voldoende diversiteit: diversiteit maakt dat je behoorlijk rijk-complexe systemen kan hebben, en dat je meteen ook tal van mogelijkheden hebt om op terug te vallen als zich ergens een uitval voordoet. Dat is wel even anders in onze huidige samenleving die ondertussen bulkt van de monoculturen: qua landbouw, onderwijs en geldsysteem bijvoorbeeld. Eveneens cruciaal voor de veerkracht van een sociaalecologisch systeem is modulariteit: dat betekent dat je niet helemaal overkoppeld bent; of anders: dat niet alles aan alles hangt. Dat is immers een gevaarlijke situatie: zonder de nodige buffers tussen deelsystemen – zonder modulariteit dus – is het systeem kwetsbaar overgeleverd aan verwoestende domino-effecten die ongehinderd door het hele systeem reizen. Denken we maar even aan de financiële markten. Ook korte terugkoppelingen (feedbacks zijn van levensbelang voor systemen) zijn goed voor veerkracht: het betekent dat de gevolgen van wat men doet snel zichtbaar worden – er is snelle feedback – waardoor ook veel korter op de bal kan gespeeld worden. Een goede verstaander beseft hier allicht dat dit ook alles met schaal en grootte van de systemen te maken heeft: in een geglobaliseerde economie ziet men vaak te laat (of nooit) wat er ondertussen allemaal vertrappeld is.

In veerkrachtdenken gaat men er ook van uit dat sociaalecologische systemen adaptieve cycli vertonen. Er is een soort dynamiek die lijkt te verlopen in terugkerende, soms variërende cycli met een viertal fasen: groei, instandhouding, ontbinding en reorganisatie. Het zou ons te ver leiden, maar ik kan alvast zeggen dat dit element uit het veerkrachtdenken in het bijzonder helpt om dingen in de dynamische werkelijkheid beter te begrijpen – we maken zo dadelijk een soort denkoefening daarrond. De adaptieve cyclus geeft ook aan dat verandering eigenlijk de norm is (en niet stabiliteit of perfect-ideaal evenwicht). En dat het dus ook de kunst is om mee te dansen met de verandering die constant gaande is. Veerkrachtdenken vraagt zich af hoe je dat het beste doet.

Laten we, voor we naar de toepassing kijken, eerst even wat dieper op die vier fasen ingaan. De voor ons waarschijnlijk meest herkenbare fase is die van de groei: de kansen en rijkdom worden volop benut in deze fase, en aanvankelijk zijn het de opportunisten en pioniers die goed boeren want er is weinig reglementering – en er zit veel en van alles in de vruchtbare ‘bodem’. Maar, gaandeweg en bijna onvermijdelijk heeft het systeem de neiging te verstarren: de marsrichting is duidelijk, de lijnen zijn gezet, rijkdom wordt volop geaccumuleerd. Specialisme en efficiëntie nemen toe in wat ondertussen de instandhoudingsfase geworden is, maar later ook inflexibiliteit, rigiditeit, afhankelijkheid en broosheid. In deze fase zit ook typisch heel wat voorspelbaarheid – iets wat vaak verkeerdelijk naar andere fasen geëxtrapoleerd wordt. Op een bepaald moment wordt het systeem bijzonder kwetsbaar voor verstoring en kan een (zelfs behoorlijk kleine) schok het broze en te rigide systeem abrupt in een ontbindingsfase storten. Alles komt weer los te zitten, en veel van de geaccumuleerde rijkdom kan daarbij ook verloren gaan. Voeg daarbij chaos en onzekerheid, en het mag duidelijk zijn dat dit voor mensen geen prettige fase is. Toch is dit soort ‘sterven’ op sommige momenten nodig om een vers begin (van dezelfde cyclus) of een nieuwe start (van een ander traject met andere keuzes) mogelijk te maken. Dat gebeurt in de reorganisatiefase. De grond is weer vruchtbaar; en als de toekomst open ligt, dan is het op dit moment. Hier wordt geschiedenis geschreven en wie ze schrijft begint hier de marsrichting aan te geven. Die dan straks zal aandikken, groeien en misschien weer verstarren… Enz…

Een adaptieve cyclus met piekolie en transition towns

Enige tijd geleden probeerde ik al om een soort visuele voorstelling te maken van zo’n adaptieve cyclus waarin piekolie (als dreigende schok) en transition towns (als mogelijk antwoord daarop) bij elkaar gebracht worden.

We zien namelijk ook een adaptieve cyclus met betrekking tot fossiele brandstoffen. Het zit zo. Op een bepaald moment in de geschiedenis komt er fossiele brandstof beschikbaar – laat ons zeggen: olie, die vanaf 1859 in Pennsylvania op industriële schaal ontgonnen wordt. Het hek is dan heel snel van de oliedam: het samenspel van wetenschap en techniek, en van wensen en dromen van mensen, resulteert in de gekende dynamiek waarin het voor de hand liggende potentieel van die olie volop benut wordt. Gaandeweg, en redelijk voorspelbaar, wordt er verder geoptimaliseerd, gespecialiseerd en geaccumuleerd op die ingeslagen weg. Stilaan doet zich de bewuste lock-in voor: die groeiende efficiëntie, en het volledig inzetten op deze manier om ons samenleven te organiseren (namelijk via goedkope en makkelijk beschikbare olie), levert ons nu een industriële groeisamenleving op die kwetsbaar afhankelijk is van die energie waarop ze draait, en van de groei die ze ondertussen veronderstelt. We bevinden ons ergens naar het einde van de instandhoudingsfase: dat tonen ons in ieder geval de hardnekkigheid van ons systeem om zichzelf in stand te houden, de sterkte van de belangen om de status quo te behouden, evenals de vele signalen dat het oliefeest op zijn eind loopt. Er zijn grofweg een aantal mogelijkheden nu. We bekijken drie typesituaties.

Eén: er doet zich een soort van piekoliesituatie voor waarbij de samenleving (of hele delen van samenlevingen) niet meer over de energie beschikken om te blijven draaien. Dat is een pijnlijke destructie- of ontbindingsfase, met een aanzienlijke vermindering van menselijk welzijn. End of Suburbia-, of Mad Max-scenario’s hebben het over deze verbrokkeling van de ons vertrouwde petroleumbeschaving: heus niet iets om naar uit te kijken. Verwarring, onzekerheid en onvoorspelbaarheid worden troef, en er zal weer ‘gepionierd’ moeten worden in menselijk samenleven.

Twee: we proberen situatie één – de piekoliesituatie – te vermijden, en gaan op zoek naar alternatieven om ons (samenlevings)systeem aan te drijven. Dit is de piste van de alternatieven voor onze slinkende fossiele brandstoffen. Niet die van de alternatieven voor het systeem zelf: het alternatieve zit enkel in het soort energie dat het industriële groeimodel draaiende moet houden. Wie het hele energieplaatje bekijkt (met energierendement, opschaalbaarheid en material requirements), ziet terecht niet goed in hoe dit zal kunnen gebeuren. Maar vanuit de adaptieve cyclus is er een nog veel grotere kwestie: op zoek gaan en volop inzetten op alternatieven om ons systeem draaiende te houden betekent ofwel terugkeren naar een vroege instandhoudingsfase of het rekken van de late instandhoudingsfase. De dynamiek die in dat laatste geval geobserveerd wordt – dus bij het proberen uitstellen van de schok – is die van een nog kleinere schok die het systeem (iets later) onderuit haalt, gevolgd door een nog destructievere ontbindingsfase. Nog onaantrekkelijker dan typesituatie één dus.

Drie: we zouden ook de binnenweg naar een nieuwe reorganisatie- en groeifase kunnen proberen nemen. Dat komt neer op het ‘forceren’ van het ‘omdenken’ van de samenleving (en economie/industrie) om een al te dure en vernietigende ontbindingsfase te vermijden (ook al blijven er allerlei dingen die zullen moeten ‘ontbonden’ of ‘losgezet’ worden). De EDAP’s (Energy Descent Action Plans, minder-energie-plannen) van transition towns proberen iets in die aard, en de transition towns-beweging in zijn breedte probeert zo’n pro-actieve aanpak op nog meer dan alleen het (fossiele) energievlak.

De belangrijkste vraag lijken me dus vooral hoe we de grootste (energie)schokken voor kunnen zijn en hoe we vervolgens in de ‘ontbindings’- of ‘loszettingsfase’ het verschil kunnen maken en de kiemen kunnen leggen van post-koolstofsteden, veerkrachtregio’s, post-petroleumlevensstijlen, en hernieuwbare gemeenschappen.

En misschien zal het grote verschil vooral moeten zitten in het verschuiven van onze aandacht van onze ‘know-how’ naar onze ‘know-what’. Maar daarover straks meer.

Enige zoek- en leerlessen

In het labyrint dat ik de voorbije jaren gelopen heb, zijn me verschillende dingen duidelijk geworden. Dat verandering niet noodzakelijk een grote kritische massa nodig heeft bijvoorbeeld. Misschien moeten we het daar straks over hebben. En ook: dat je van de wereld redden kramp kan krijgen, en moe kan worden. That you don’t have to do the things because they save your ass, but because they make sense. Dat is een wereld van verschil.

Maar een belangrijke leerles waar ik het hier nu verder even over wil hebben, is dat we met dit alles best op een heel ander niveau zitten. En daarvoor gebruik ik graag een stukje uit het gedicht ‘Second Coming’ van William Butler Yeats:

“Turning and turning in the widening gyre
The falcon cannot hear the falconer;
Things fall apart; the centre cannot hold;
…”

Misschien is de grote vraag wel of er nog iets is wat ons handelen bijeen houdt. Of we het contact niet verloren zijn met de voedende en levengevende kern van waaruit alles vertrekt: wie we zijn en wat we doen. Waar zit ons centrum van aantrekkingskracht dat vermijdt dat we verloren gaan in de grote lege ruimte? Dat centrum is de dragende vruchtbare grond die ons handelen richting geeft, en die ons duidelijk maakt wie we zijn. Dat centrum is de plaats waar de grote levensvragen hun antwoorden krijgen.

In het volgende schema probeer ik één en ander aanschouwelijk voor te stellen. (Het schema is een combinatie van inzichten van Fritz Schumacher en Alistair MacIntosh.)

Er is het niveau 1. Dat is het niveau van onze wetenschap en ons technisch vernuft die ons in staat stellen een hightech windmolen te bouwen. Maar ook het niveau waar iemand met zijn hoofd weet dat we deel uitmaken van een cybernetisch mechanistisch geheel. Hier zit dus ook rationeel-afstandelijke systeemkennis. In zekere zin zou je dit het niveau van de fysische know-how kunnen noemen.

Er is het niveau 2, wat veel ingenieurs en abstracte betawetenschappers over het hoofd zien. Ze zeggen: kijk we hebben alles uitgewerkt, jullie moeten het alleen implementeren. De roadmaps liggen er, gewoon doen. Maar ook heel wat mensen in het alternatieve kamp zien compleet over het hoofd dat verandering heel wat meer is dan de anderen gewoon de ‘juiste’ info verstrekken. Niveau 2 is het niveau waar we er ons terdege van bewust zijn dat de sociale dynamiek tussen mensen zo mogelijk nog complexer is dan waar men zich in ingenieursvraagstukken mee bezig houdt. Om even op de windmolen verder te bouwen: niveau 2 is het niveau waar een dorp samenkomt en beslist een coöperatieve windmolen te plaatsen. Hoe maak je vruchtbaar compost eerder dan een stinkende boel? Op sociaal vlak wel te verstaan. Roadmaps brengen geen mensen in beweging. Inspirerend leiderschap, processen, conflicthantering, bridging, … doen dat mogelijks wel. Dit is dus het niveau van de sociale/menselijke know-how. U kent het wel. Al even cruciaal, zo niet nog crucialer, dan het eerste niveau.

En dan is er niveau 3. Schumacher spreekt in dit verband over de noodzaak van een metafysische reconstructie. We komen nergens als we ons niet opnieuw met het centrum bezig houden waar de grote metafysische vragen gesteld worden. De zinvragen: over onszelf, ons universum en onze plaats daarin. Het immateriële niveau. Ik proef onze aarzeling bij zo’n woord. In het Engels betekent het woord immaterial ondertussen ook gewoon ‘onbelangrijk’. Terwijl het richting geeft aan al wat we doen en al wie we zijn. Zo’n evolutie is tekenend: dat alles wat achter en onder en voorbij de directe fysische en sociale werkelijkheden huist, ondertussen als ‘onbelangrijk’ ervaren worden. Als niet ter zake doend. Misschien is dat wel de vergissing die ons het zuurst zal opbreken.

Om de beeldspraak van de hightech windmolen en de energie nog even aan te houden: dit is het niveau waar we weten en ervaren waar we onze energie moeten in steken. En wat ons energie geeft.

Volgens mij is het op dit derde – allesgrondende – niveau armoede troef. Iedereen heeft een metafysica, maar door de band hebben we die de laatste paar eeuwen erg gereduceerd: we hebben van alles door het raam gegooid en het lege gat is ingevuld door scientisme (onze wetenschappelijke methode als metafysica, als levensfilosofie zeg maar), vervolgens economicisme (verafgoding van de economische werkelijkheid), en misschien zelfs monetaricisme (als zoiets nog voorstelbaar is).

Het is mijn ervaring, en tegelijk mijn hoop, dat meer en meer mensen op dit niveau terecht komen. Jammer genoeg kunnen ze op dat niveau vaak niet ontsnappen aan een bepaalde welzijns- en zingevingsindustrie die nog meer schade aanricht.

Over spiritueel zijn of niet meer zijn

Dat derde, metafysische niveau brengt me bij mijn laatste punt. Over spiritueel zijn of niet meer zijn.

Over spiritualiteit bestaan heel uiteenlopende definities. Maar vaak is de link met de grote levens- en zinvragen niet ver weg. Dat is allicht niet verwonderlijk als spiritualiteit dat veld is waar de verbinding gemaakt wordt met wat achter en onder de (direct ervaarbare) dingen ligt.

Ondertussen, na vele jaren onderzoek rond olie, gas, klimaat, transitietheorieën, geldsystemen en zulks meer, heb ik ervaren dat de grote veranderingen eerder in dat derde niveau hun grond vinden. Het is één ding om actie te voeren voor het behoud van bossen, het is een ander ding om 16 uur aan één stuk onder een boom te zitten. Na 10 à 12 uur zak je gewoon naar een ander niveau van samen bestaan. Het is één ding om carbon offsets te kopen voor vliegtuigreizen (men plant dan bijvoorbeeld een aantal bomen als compensatie), het is een ander om een boom in je eigen tuin ritueel te dansen om hem van binnenuit te begrijpen. Het is één ding om coöperatieve banken te steunen, het is een ander ding om communauteit te vormen met wie en wat je omgeeft.

Te lang in mijn leven heb ik gedacht dat het slechts een heel mooie metafoor was, dat Franciscus met de dieren kon praten. Te veel in mijn leven heeft een gangbare, bijna besmettelijke werkelijkheidsopvatting, me doen geloven dat de tijd dat de dieren nog spraken voorbij is. Die tijd is niet voorbij. Die tijd, die droomtijd, ligt net achter de hoek van onze rationaliteit. Ik weet ondertussen dat je de hoek om kunt, waar het gesprek nog altijd aan de gang is.

Mag ik even zeggen dat dat soort ervaring grondverschuivend is – je prioriteiten lijken nooit meer dezelfde te kunnen zijn. Eigenlijk is het een kwestie van diep luisteren, van je eigen zelf-referentiële mallemolen te doorbreken. Van iets dat zich openbaart. Je hoeft alleen maar te luisteren. Maar wat een krachtinspanning, wat een tour de force is dat luisteren voor de moderne mens. Wat een barrières moet je niet overwinnen om daar te geraken. Wat een ideeën in je hoofd moet je ontleren: dat hoofd dat het bestaansrecht ontneemt aan elfen en kabouters, aan geesten en meer-dan-toevalligheden.

Dat is niet eenvoudig in een cultuur en tijd als de onze: wij hebben de realiteit verengd tot de materialiteit: alleen wat materiaal is, is reëel. Alleen wat binnen ons rationeel bewustzijn verschijnt kennen wij realiteitswaarde toe. Niet wat binnen onze dromen verschijnt. En alles wat culturen duizenden jaren hebben gedaan om te reizen naar de werkelijkheden achter de werkelijkheid is verdacht en onaanvaardbaar. (Uit de antropologische etnografie weten we dat er culturen zijn voor wie het jagen op dieren, het verzamelen van planten en het contact opnemen met geesten eenzelfde ‘werkelijkheidsgehalte’ hebben.)

Met spiritualiteit en de dingen-achter-de-dingen is het een beetje zoals met het onzekerheidsprincipe van Heisenberg waarbij we niet tegelijk de plaats en de impuls van een deeltje kunnen bepalen. Je ziet óf de plaats, óf de impuls. Je moet dus, om de dingen-achter-de-dingen te zien, anders kijken. Anders focussen. Het is wat te eenvoudig voorgesteld, maar: de dingen hebben in zekere zin een materieel gezicht en een spiritueel gezicht. Als je materieel kijkt, zie je gewoon een boom. Maar als je spiritueel kijkt, dan zie je … gewoon een boom.

Maar ik vind het adembenemend als dat spiritueel zien zich voordoet. Want je ziet, ervaart, of weet iets helemaal anders. Het is buitengewoon, maar even terecht en even reëel. Maar met het digitale, binaire, wel-of-niet-denken dat we ondertussen zo gewoon zijn, lukt dit niet.

Soms lijkt het erop dat we onszelf wat in de weg zijn komen te staan: als de “ik-die-we-denken-te-zijn” een stap opzij zou kunnen zetten, en het leven ‘ruim baan geven’ dan zijn de wonderen de wereld niet uit. Onze kennis staat ons vaak in de weg. Onze kennis staat vaak nog grotere kennis in de weg.

Soms vraag ik me af hoe anders de wereld en onze tijd er zouden hebben uitgezien, mocht één van de kampioenen van de Verlichting, René Descartes, in plaats van “Je pense donc je suis”, gezegd hebben: “Je danse donc je suis.”

Wij hebben ons kennen en weten verengd. Water is de chemische verbinding van twee waterstofatomen en een zuurstofatoom. Daarmee weten we misschien iets OVER water. Sjamanen uit de wereldgeschiedenis weten dat kennis betekent dat je de natuur van water zo goed doorgrondt dat je het kunt laten regenen.

Onlangs las ik ergens dat aboriginals aan antropologen oeroude rotstekeningen wilden laten zien. Die waren natuurlijk heel erg geïnteresseerd. Maar ter plekke gekomen zagen ze niets. De aboriginals lachten. “Natuurlijk niet, je moet er eerst water op gooien.” Ze gooiden er water over: prachtige rotstekeningen verschenen. Misschien kijken de meeste mensen die op zoek zijn naar meer spiritualiteit wel veel te ver: er is geen andere werkelijkheid. Het is deze, maar anders. Geen twee aparte werelden, maar dezelfde anders.

Soms breekt die diepere werkelijkheid dwars doorheen het alledaagse. Zomaar, zonder dat je er iets voor doet. Bijna ondanks jezelf. In de geschiedenis worden dergelijke religieuze ervaringen beschreven. Ze zijn uitzonderlijk, en krachtig. Levensveranderend. Niets is nadien nog hetzelfde. Je wordt er heilig of gek van. Culturen brengen dat soort ervaringen ook ‘in cultuur’, precies omdat ze als richting- en zingevend worden ervaren. (Maar soms gaat het na een tijdje ook grondig mis op dat punt.)

Meestal heb je er een bepaald soort alertheid en aandacht voor nodig, en moet je er de open ruimte voor scheppen. Geen enkele garantie overigens. Maar waar geen plaats is waar zich iets kan openbaren, kan ook niets zich openbaren: alles zit al eivol. Waar je niet bereid bent om water over rotsen te gooien, je rationeel-wetenschappelijke blik even on hold te zetten, je dromen ernstig te nemen, een poging te ondernemen om in een ander soort gewaarwordingstoestand te geraken, … is de kans ook veel kleiner dat iets zich vanaf de achterkant van het bestaan openbaart.

Woorden als poorten, geen spiritualiteit zonder de poëzie ervan

We hebben nu even – zo zie ik het toch – rond het centrum gecirkeld. Ik wil afsluiten met een paar verdere gedachten over spiritualiteit zelf. En ik nodig iedereen daarbij uit om de woorden als poorten te zien: poorten om doorheen te wandelen naar de ervaringen die de woorden trachten op te roepen. (En dus niet woorden als conceptuele gevangenissen om over te discussiëren.)

Vele jaren geleden was ik mijn eindwerk voor een universitaire studie aan het maken over één gedicht. Maandenlang zat ik te staren naar 30 kopieën van een gedicht van 14 regels, en noteerde hier semantische velden, daar klankpatronen, daar referenties in de tekst naar Milton, etc. En ineens gebeurde het: het gedicht ging open en ik wandelde mijn eigen leven binnen. “Poetry reads you” werd de ondertitel van dat eindwerk.

Terug naar de spiritualiteit met een poging tot definitie of afbakening. Spiritualiteit begrijp ik als een vorm waarin gestalte gegeven wordt aan iemands relatie met de andere dan de direct ervaarbare realiteit, een vorm waarin gestalte gegeven wordt aan hoe je je verhoudt met wat erin, eronder of erboven ligt.

Spiritualiteit heeft volgens mij steevast te maken met zowel het heel individuele als het allesoverstijgende. Het gaat dus zowel om onze relatie met ons diepere zelf (wat sommigen onze ziel noemen) als om de relatie met de mysterieuze grond van ons bestaan (wat je in zekere zin de ziel van de kosmos zou kunnen noemen). Probeer niet in dualistische zin te interpreteren, maar het gaat om de geest in de fles, de adem van het leven, de roeach die ons animeert. Wat ons tegelijk allerindividueelst maakt, én verbindt met al het andere. Die twee openbaren zich samen – ze zijn zelfs in zekere zin hetzelfde.
 
Spirituele of religieuze ervaringen hebben alles met relatie, met verbinding te maken. Wat zich daarin ten diepste openbaart, is dat elke identiteit relationeel is. Ik is wij. Wij is ik. Of om het met de woorden uit één spiritualiteit te zeggen: “De mens volgt de aarde. De aarde volgt de hemel. De hemel volgt de tao. De tao volgt de natuur.” (Lao Tse)

Via spirituele of religieuze ervaringen vinden mensen de weg, en verstaan ze wie ze te zijn hebben. Daar krijgen de grote metafysische vragen een antwoord – een kleurrijk-divers antwoord overigens. Het is op dat niveau dat zich uitkristalliseert waar het om te doen is. Het is op die vruchtbare grond dat de juiste maat groeit.

De belangrijkste crisis die zich nu voordoet zou wel eens een crisis van de spiritualiteit kunnen zijn. We zullen spiritueel zijn. Of we zullen niet meer zijn. We zullen verbonden zijn met de diepte en de breedte van ons aller bestaan. Of we zullen niet meer zijn. En dan denken sommigen dat er nu logisch volgt dat we ons opnieuw moeten leren verbinden – religare. Met elkaar bijvoorbeeld, of met de grond van ons bestaan, of met het mysterie van het leven. Het spijt me: we moeten ons niet opnieuw verbinden. Dat is in zekere zin een kanjer van een misvatting. We moeten beseffen, ervaren, weten – opnieuw gewaarworden – dat we nooit anders dan verbonden geweest zijn.

Het is volgens mij cruciaal dat mensen weer door de poort gaan. Zelf. En niet als tweedehandservaring, niet op kracht van een geleende religie of uitgesleten spiritualiteit van elders. Al kan die (zelfs in grote mate) helpen als je er op de juiste manier mee omspringt.

Een spoor dat (in ieder geval voor mij) een grote hulp was op dit punt, is de natuur zelf. ‘Helende verbondenheid met de natuur’ – zoals in het Franciscaans Milieuproject hier – ik denk dat ik helemaal mee ben. Ik merk stilaan een prachtige omkering van het gangbare duurzaamheidsstreven: “we moeten als mensen de natuur redden”. Wat als we ons nu eens als mensen door de natuur lieten redden?

Natuureducatie: hoe natuur ons letterlijk ‘wegleidt’, educeert uit onze zelfgebouwde gevangenissen, en de monkey business in onze hoofden. Natuureducatie slaat soms toe als je 12 uur onder een boom gezeten hebt en plots een onuitspreekbaar niveau dieper zakt. Of: als je beslist om buiten onder een boom te gaan slapen en krachtige dromen in ruil krijgt. Of: als je een boom als heler en leraar aanspreekt. Dit zijn dingen die een mens veranderen, dit zijn dingen die ons op een duurzamer pad kunnen brengen, dit zijn dingen die een verschil maken omdat ze het contact met het centrum openen.

Volgens mij heeft spiritualiteit niets met hogere sferen te maken, of met zich terugtrekken. Integendeel.

Het is ook allemaal heel concreet: aan mensen kun je hun spiritualiteit gewoon aflezen. Ze piloteert hen regelrecht naar deze wereld hier en nu, wie ze hier zijn en wat ze hier doen. Wie door de poort gaat, kan niet anders dan hier en nu uitkomen. Maar dan met een soort onverwoestbare veerkracht: het besef dat het leven, en de bomen, aan jouw kant staan.

Ik denk dat ik iets met bomen heb.
Nee. Excuus. Ik denk niets.
Het is ondertussen donkerrood duidelijk: bomen hebben iets met mij.

Gesprek met de zaal

Rudy Dhont in Stoutenburg

V. Kunt u nog even terugkomen op de link tussen de geldcrisis en piekolie?

A. De man die in 1956 al een heel duidelijk signaal in verband met de eindigheid van fossiele brandstoffen de wereld instuurde – M.K. Hubbert – had het al over die link. Hubbert wees er op dat op het moment dat we wereldwijd het piekoliemoment bereiken (vanaf dan begint productie van olie te dalen) ook het financieel systeem zal imploderen. Het zit – in het kort geschetst – als volgt in elkaar. Olie (en bij uitbreiding ook de andere fossiele brandstoffen steenkool en gas) hebben het industrieel groeimodel waar we nu zo mee vertrouwd zijn ‘fysiek’ mogelijk gemaakt. De fossiele brandstoffen die we als het ware maar voor het opscheppen hadden, en die ons een ongelooflijk surplus aan netto energie opleverden, zijn dus als het ware de reële turbo op onze productie en consumptie. Tussen haakjes: de schatting is dat van alle primaire energie wereldwijd ongeveer 80% (of zelfs meer) fossiel is, en dus uitputbaar. Die brandstoffen hebben ook het soort ‘fysieke’ globalisering dat wij nu kennen mogelijk gemaakt: daarin worden talloze producten en grondstoffen over en weer getransporteerd over de hele wereld. Parallel daarmee loopt een geldsysteem – en dit is wat moeilijker om aan te nemen – waarbij via verschillende mechanismen geld uit het niets gecreëerd wordt. Banken zijn privé-instellingen die zo goed als uit het niets geld als schuld in de wereld zetten. Ons geldsysteem is ten diepste eigenlijk een schuldsysteem. Geld is dus voornamelijk schuld. En schuld is iets wat – bovendien vaak met een fikse (gecumuleerde) rente – moet afgelost worden in de ‘voortdurende toekomst’. Je schrikt ondertussen van de duizelingwekkende bedragen die overheden bijvoorbeeld in de toekomst moeten gaan aflossen. Maar hetzelfde doet zich voor op andere niveaus: in huishoudens bijvoorbeeld. Kortom: we hebben steeds meer economische activiteit nodig – groei dus – om de oplopende schulden terug te betalen. Maar om te groeien heb je wel energie nodig. Dat is nu net het verbindingspunt, daarmee is onze denkcirkel rond, en daarom kon Hubbert ook de uitspraak doen die hij deed: als we niet meer over dat ongelooflijke energiesurplus van de fossiele brandstoffen beschikken implodeert ons op schulden gebaseerd geldsysteem, want zonder die energie is het is niet meer mogelijk om die groei te realiseren. (Voor uitgebreider inzicht in de problemen van olie en geld, en hun verbanden, verwijs ik graag naar de teksten die ik hierover schreef en die op mijn site te vinden zijn: www.laborint.be)

V. Technologie heeft toch ook positief bijgedragen aan ontwikkeling? Die rol is in de Stoutenburglezing van 3 jaar geleden ook als positief benoemd. We hebben technologie ook nodig om optimaal te groeien.

A. Technologie is een verlengstuk van de mens, goede technologie staat eigenlijk ten dienste van de mens. Ik denk dat dat een geschikt criterium is om te bekijken of de technologie positief bijdraagt of niet. Natuurlijk kan het dat technologie positief bijdraagt, we vinden er haast dagelijks voorbeelden van in ons leven. Maar er is een ‘maar’. Vaak blijkt dat wij ondergeschikt zijn aan technologie, of eraan overgeleverd zijn als het ware, of moeten leven aan de snelheid van de beschikbare technologie, of op de schaal ervan: alsof de technologie begint te bepalen hoe de dingen moeten. De beelden die me dan te binnen schieten zijn die van Modern Times van Charlie Chaplin, of die van het Frankensteinschepsel dat zijn eigen leven ging leiden… Het punt is volgens mij dat technologie helemaal niet neutraal is, terwijl de meeste mensen dat wel zo lijken te ervaren. De technologie zal ons helpen, klinkt het dan. Maar: wie of wat helpt onze technologie? Wie wordt er beter van? Als je er even over nadenkt kom je er snel achter dat heel veel (spits)technologie bijvoorbeeld helemaal niet democratisch is: ze zit in de handen van sommigen, en het hangt er maar zeer van af wat die sommigen met die technologie willen bereiken. (We zouden hier even kunnen denken aan wat patenten en intellectuele eigendomsrechten betekenen voor grote transnationale bedrijven.) Bovendien: de ‘wie’ uit ‘wie wordt er beter van?’, slaat die ook op het andere-dan-menselijke leven? Worden dieren, planten, ecologische systemen, de planeet er beter van?
Oplossingen met alleen maar technologie, daar sta ik huiverachtig tegenover: in welk verhaal kadert die technologie? Eigenlijk is technologie altijd al een onderdeel van ideologie, en het is dan ook dat totaalplaatje waar we het moeten over hebben. Wat te denken van geo-engineering waarin men op grote schaal Russische roulette speelt met onze ecologie – dat klopt toch niet met wie we zijn? Wat te denken van regeringen die helemaal afhangen van (of zelfs vervangen worden door) technocraten die weten hoe het spel van de financiële markten moet gespeeld worden, maar niet meer in staat zijn om een ander soort spel te gaan bedenken en te gaan spelen? Voor mij zijn dat voorbeelden waar technologie de overhand haalt, maar niemand zich nog afvraagt of we wel in het juiste (of in een goed) verhaal spelen. Het gaat dus misschien niet om de technologie maar om het verhaal waarin die technologie betekenis krijgt. E.F. Schumacher heeft wel een paar interessante dingen in die richting over technologie te zeggen, onder andere de idee van technologie op de juiste maat: op menselijke maat.
En misschien nog een niet onbelangrijke bedenking bij het laatste stukje van de vraag, namelijk dat we technologie nodig hebben om optimaal te groeien. Eindige systemen kunnen niet blijven groeien. En onze planeet met haar grondstoffen, haar brandstoffen en haar ecosysteemdiensten in het algemeen (bv. haar opvangcapaciteit voor vervuiling en afval) is zo’n eindig systeem. Er zijn nu al niet te miskennen aanwijzingen dat onze economie in haar totaliteit de planetaire draagkracht overstijgt (en dan bedoel ik zowel ecologische als sociale draagkracht). Onze groei gaat dus steeds meer ‘ten koste van’. Dit is één van die grote paradoxen van onze tijd, de catch 22 waar ik in de lezing naar verwees: to keep going we need to keep growing. Maar dat groeiverhaal zit dus net in het hart van het probleem. En als we het dan over technologie hebben ‘om optimaal te groeien’ dan zitten we precies in zo’n situatie waar ik het over had: zitten we dan wel in het juiste (of een goed) verhaal?

V. Zonder fossiele brandstoffen kunnen we niet met de auto reizen. Dan is ook technologie niet meer mogelijk. Veel is dan niet meer mogelijk. Wat zijn de consequenties?

A. Van de consequenties van piekolie krijg je koude rillingen. Als je het allemaal even begint door te denken… Olie zit in talloze producten (alles wat met petrochemie te maken heeft), olie zit in talloze productieprocessen (alles wat met industrialisering te maken heeft), olie zit in het eindeloze over-en-weergetransporteer (alles wat met fysieke globalisering te maken heeft). En dat is bij uitbreiding zo voor het hele pakket aan fossiele brandstoffen. Heinberg bijvoorbeeld geeft toe dat zelfs voor wie al jaren energie en het opraken van fossiele brandstoffen aan het bestuderen is, het nu pas stilaan begint te dagen wat de systeemconsequenties van deze terugval zijn. Want je moet niet alleen denken aan petrochemie, industrialisering en transport, maar aan het hele massaproductie- en massaconsumptie-model waarvan de gezondheid van onze economie en onze werkgelegenheid ondertussen afhankelijk zijn geworden, aan een agro-industrieel landbouwmodel waar we het ons kunnen veroorloven voor elke calorie aan voedingswaarde er tien aan fossiele energie op te offeren (netto verlies van negen), aan het hele militaire apparaat en dus ook de ‘brandstof voor oorlog en vrede’, aan geopolitieke machtsverhoudingen, aan een geldsysteem dat enkel functioneel kan blijven als de economie kan blijven groeien… En het reikt zelfs nog verder dan dat: bij het terugvallen op netto-energierendementen (eroei-factoren) van onder de 15 à 10 op 1 valt gewoon een groot deel van de complexiteit van een samenleving weg. (Zo goed als alle alternatieven voor fossiele brandstof zitten trouwens onder die grens.) Dat is een verhaal op zich: in niet-petro-beschavingen werken doorgaans driekwart of meer van de mensen in de voedselvoorziening. We vergeten vaak dat dat in zekere zin onze ‘energiesector’ is. De VS kunnen het zich permitteren om slechts 2% van de beroepsbevolking  nodig te hebben voor de landbouw/voedselvoorziening (dankzij de fossiele brandstoffen in een mondiaal georganiseerd agro-industrieel complex). 2%, dat is minder dan het percentage dat daar in de gevangenis zit…
Als samenleving en als economie afkicken van een olieverslaving, … het is een dijk van een uitdaging. Eén die mensen in transition towns, en op talloze andere plekken en vanuit een diversiteit van inspiraties, met durf en creativiteit aannemen. Ze geloven zelfs dat een samenleving en economie met gevoelig minder energie warmer en rijker kan zijn. Een mooiere toekomst om in te wonen. Eigenlijk weten we dat: er is – boven een soort basisminimum – gewoon geen link tussen energiegebruik en welzijn. Dat weten we van vroeger, dat weten we van elders…

V. Van “je pense” naar “je danse”. Diezelfde Descartes kwam tot zijn uitspraak tijdens een wandeling met een wandelstok die brak. Daardoor kreeg hij het inzicht dat cognitie de overhand krijgt bij het menselijke waarnemen en bewustzijn. Hoe verbind jij je persoonlijke, personalistische benadering met je structurele, conceptuele verhaal? Kunst en religie?

A. (…) Weet ik niet. Maar wat me stilaan wel duidelijk is, is dat we moeten uitgaan van een heel andere, veel bredere epistemologie of kenleer. We zijn uit het oog verloren dat er heel verschillende manieren van kennen bestaan, en we hebben ons kennen langzamerhand verengd tot wat we zogezegd empirisch en objectief kunnen vaststellen. Op die manier zetten we ondertussen enkel in op een soort wetenschap die voor mij slechts een flauwe reductie is van een veel bredere ‘weten’-schap. Ik denk dat ik dus zelf ook probeer uit te gaan van een veel bredere epistemologie: ik heb bijvoorbeeld al dansend dingen ‘begrepen’ die ik nooit met mijn analyserend verstand achterhaald zou hebben – integendeel. Ik begrijp natuurlijk wel wat de betekenis is van zoekers als Descartes (en de verlichting in het algemeen) die probeerden een alternatief te vinden voor de religieuze waan die lelijk huishield tijdens de godsdienstoorlogen – om de situatie maar kort even op te roepen: het kan ook misgaan. Maar nu gaan we helemaal de andere kant op. Een bredere epistemologie zet in op een diversiteit van manieren van kennen die elkaar aanvullen, bevruchten en wellicht zelfs corrigeren ‘tot een geheel’: lichamelijke, intuïtieve, emotionele, zintuiglijke, … . We mogen geen spoor onbenut laten, zelfs onze dromen niet.

V. Hoe blij zijn jouw studenten met jou?

A. Oei, dat zal je hen zelf moeten vragen.
Maar misschien kan ik er wel een paar dingen over zeggen. Ik geef een vak – bedrijfsethiek – waarbij studenten naar aanleiding van de lessen die ze bijwonen een aantal leerinzichten moeten schrijven. Op die manier nodig ik hen uit om wat dieper voor zichzelf te gaan nadenken over de grote kwesties die we met een soort systeemblik proberen te bekijken: klimaatverandering en ecologische crisis, piekolie en energieproblematiek in het algemeen, en geld en financiële crisis. Soms schrijven studenten onverwachte leerinzichten, die dan niet gaan over de inhoud, maar wel aangeven dat ze verrast zijn dat er toch met meer dan gewone aandacht geluisterd wordt tijdens die colleges. Dat is voor mij een indicatie dat al die dingen hen niet onberoerd laten. En dat we terecht tijd besteden aan die grote vraagstukken, en ze dus niet zomaar uit de weg gaan… Bovendien merk ik ook dat als ik – zoals nu het geval is – meer en meer voor de klas sta als bezorgde burger dan wel als lector, er hier en daar een ander soort connectie ontstaat. En dat geeft in sommige groepen aanleiding om op dat veel diepere niveau te ‘zakken’ – het diepere niveau van zingeving zoals ik het in de lezing aanraakte. Dat is het niveau waarop je elkaar als (zoekende) mens aanspreekt en ontmoet; en er is het gevoel bezig te zijn met de dingen die er echt toe doen. En voor sommigen is het misschien één van de weinige momenten waar vragen en onzekerheden een plaats krijgen. Soms denk ik dat dit maar veronderstellingen zijn van mijn kant… Tot ik dan weer eens een mailtje krijg van een student die aangeeft hoe betekenisvol het vak voor haar of hem geweest is – en zoals onlangs – “ik denk dat ik daarmee voor een zeer groot deel van de studenten kan spreken”.
Ik ben me er wel ook van bewust dat studenten het niet altijd makkelijk hebben met de grote uitdagingen waar we voor staan en die we dus in de klassen in onze bedrijfshogeschool bekijken. Laten we eerlijk wezen: een mens wordt van al die crisistoestanden niet vrolijk. Maar ervan weglopen is ook niet echt een optie: de grote kunst is de pijn en onzekerheid te erkennen en ze om te buigen in iets nieuws, iets anders. Ik ben ervan overtuigd dat dat mogelijk is, maar dan moeten de omstandigheden wel goed zitten, en moet er voldoende tijd beschikbaar zijn om met studenten ook de ‘hele weg te gaan’. Daar ervaar ik het grootste probleem: de contactmomenten en de hoeveelheid studiepunten die voor het vak gereserveerd worden, zijn vaak te krap. Mensen wakker schudden om ze vervolgens aan hun lot over te laten, mensen een eerste glimp bezorgen van een andere wereld om er dan niet verder met hen op in te gaan zodat ideeën niet de tijd hebben om te ontkiemen, dat is verre van ideaal. Het is zelfs een beetje onethisch. In mijn donkerste momenten denk ik wel eens: ignorance is bliss, als we van niets weten zijn we gelukkiger… Enfin, ik ben gewoon van mening dat we met jonge mensen uitgebreid moeten nadenken over waar we ons bevinden en hoe we andere toekomsten mee vorm kunnen geven. (Het zou niet slecht zijn mocht de politiek zich daar ook op een veel fundamenteler manier – en met een veel langer termijnperspectief – mee bezig houden.) Op deze knik in de geschiedenis lijkt het me zelfs niet onzinnig om dat tot de hoofdtaak van hoger onderwijs te maken, en er dus ruim tijd voor uit te trekken: complexiteit vraagt immers nuance en dat vraagt dan weer rust en tijd. Een schaars goed in het onderwijslandschap. Ik vraag me ook af wat voor zin het heeft om jonge mensen voor te bereiden om te functioneren in een industrieel groeimodel dat niet langer functioneert, en zelfs desastreuze gevolgen heeft voor onze ecologie en onze samenleving. Jonge mensen voorbereiden op een nieuwe eeuw met de tools en denkwijzen van een voorbije eeuw? Ik vrees dat we in dat geval onze verantwoordelijkheid ontlopen. Er moet nog één en ander ontleerd worden…

V. Gemeenschappen die verbonden zijn, hebben enorme kracht. Maar die hang naar het lokale, schuurt dat niet met grote structuren als de EU. Hoe ziet u dat?

A. Zowel de problematiek van vermindering van beschikbare fossiele brandstoffen als de realiteit van klimaatverandering zullen ons in de richting duwen van meer lokale of regionale economieën en samenlevingen. Meer lokale subsistentie en zelfvoorziening. Een beetje de ‘globalisering in achteruit’, toch tenminste de ‘fysieke’ globalisering van een mondiaal georganiseerde industriële economie: dat zal niet langer kunnen en om allerlei redenen is het ook geen goed idee. Toch is het ook weer niet zo moeilijk om te zien dat dit – in de hoofden van sommigen – kan doorslaan in de andere richting: dan bestaat het gevaar dat herlokaliseren zelfs een niet-doordacht dogma wordt. Als lokale initiatieven, de burger power, het ‘lokale verhaal alleen’ synoniem wordt voor het optrekken van muren rond de eigen burcht en het zich afsluiten van de rest, dan kunnen we alleen maar vaststellen dat zoiets tegen alle principes van het leven is. Alles is met alles verbonden: het lokale is verbonden met de kosmos. Misschien moeten we dus niet leren om onafhankelijk te zijn, maar precies het oeroude ambacht van de afhankelijkheid weer gaan beoefenen… Onafhankelijkheid leidt tot het gevaar van zelfgenoegzaamheid, en in de (sociale) ecologie van samenlevingen is dat geen goed idee. Het gaat volgens mij om modulaire gehelen met een zekere zelfstandigheid die in allerlei levengevende verbindingen gaan staan met andere gehelen met hun eigen zelfstandigheid. Niets is ‘op zich’, we ‘zijn’ omdat we ‘verweven zijn’.

V. Die spirituele beweging, komt dat binnen bij de transition towns-beweging of zit zij er al? Hier in de Utrechtse Heuvelrug wordt de transition towns-beweging opgestart, maar het is ploeteren om het voor elkaar te krijgen. Wat is dan de rol van spiritualiteit?

A. Binnen de jonge transition towns-beweging in Totnes ontstaat er al vrij snel een ‘heart and soul’-groep. Die wordt gevormd door een aantal mensen – waaronder een aantal psychotherapeuten – die terecht aandacht vragen voor wat ik maar even de ‘binnenkant’ noem binnen de beweging. Er is namelijk ook een innerlijke transitie nodig: hoe gaan mensen om met het toch wel verontrustende vooruitzicht dat het mogelijks niet goed loopt, hoe kan je afkicken van een structurele olieverslaving en het gewoontegedrag dat daar bij hoort, … En er zijn schuld- en zinvragen bijvoorbeeld. De hele transitiegroep vond dit aspect heel erg belangrijk: het transitiehandboek spreekt bijvoorbeeld uitdrukkelijk over hoofd, HART en handen. Maar ik weet ook dat in de relaties naar buiten, naar de pers, of gewoon om mensen over de streep te halen om mee te werken, men op dat punt wel wat voorzichtigheid aan de dag legde. Allicht wou men niet in een bepaald wereldvreemd hoekje geduwd worden. Natuurlijk is innerlijkheid en spiritualiteit niet, en nooit, los te knippen van de gewone dagelijkse realiteit, maar jammer genoeg is spiritualiteit en innerlijkheid wel iets wat in onze Westerse wereld haast de facto afgesplitst is van onze gewone sociaal-economische realiteit. Misschien wou men het gevaar niet lopen om op dat laatste punt (sociaal-economische realiteit) niet meer gehoord te worden omdat men mogelijks te snel in de spirituele of innerlijke hoek (en dus opzij) geduwd zou worden. Misschien wilde men geen nodeloze barrières creëren voor een bepaald publiek dat men wel degelijk ook wilde aanspreken en nodig had en dat het misschien niet zo begrepen had op ‘spiritueel gedoe’. Ik kan me levendig voorstellen dat er menige discussie gevoerd is over dat soort eerder ‘strategische’ overwegingen. Maar in ieder geval: geen uiterlijke transitie zonder innerlijke. En omgekeerd. En ze hebben dus wel degelijk een ‘heart and soul’-groep.

V. Het hele idee van transition towns komt nog wel erg abstract over. Kunt u een voorbeeld geven? En hoe werkt het in de praktijk, met nieuwe gemeenschapjes of zo?

A. De vraag verrast me niet. Het is ook niet zo heel makkelijk om het op de paar minuten die we er hier binnen de lezing hebben kunnen aan spenderen duidelijk te maken. Er gebeuren heel wat concrete dingen in zo’n transition town, maar het gaat ook over het verbindend principe tussen al die concrete dingen. Als antwoord op de uitdagingen van piekolie en klimaatverandering ontstaan allerlei lokale initiatieven (of worden bestaande dingen versterkt, of van elders opgepikt). Ik som even een paar dingen op waarvan ik weet dat ze ergens binnen een transition towns-initiatief zaten. Te denken valt aan: notenbomen planten op openbare plekken, in kaart brengen hoe men lokaler kan eten, een alternatieve bib starten, buurtkoken, tuindelen, ruilbeurzen en repaircafés, (wets)voorstellen indienen rond land- en energiegebruik, aantrekkelijke toekomstverhalen verzinnen met schoolkinderen, visioning-oefeningen doen rond de eigen regio, gereedschap- en autodeelprojecten, bewustmakingsactiviteiten zoals een film of spreker, experimenteren met lokale muntsystemen, sociale economie-projecten en coöperatieve economie-ideeën uitwerken en realiseren, … en de hart-en-ziel-groepen of innerlijke transitie-groepen natuurlijk. Wat het is en wat er gebeurt, is gewoon het verhaal van lokale mensen: een transitie-initiatief krijgt dus onvermijdelijk de “couleur locale” van die lokale mensen, van wat hun kracht is en waar hun talenten of sterktes liggen. Dat brengt hier en daar natuurlijk met zich mee dat mensen transition towns zien als een soort nieuwe trend die appelleert, om er dan dankbaar gebruik van te maken om hun eigen verhaal nieuwe vleugels te geven. Het kan dus ook gebeuren dat mensen het idee voor zichzelf (soms zelfs als greenwashing) kapen en helemaal niet meer in dezelfde inspiratie werken… Maar het feit dat er ondertussen meer dan 440 ‘erkende’ transitie-initiatieven bestaan wereldwijd (men checkt zichzelf daarbij af tegen een aantal criteria), bewijst dat het toch om een inspirerend sociaal-ecologisch experiment gaat. In Vlaanderen is men op heel wat plekken aan de slag gegaan, en blijft men dat nog steeds doen op nieuwe plekken. Ook al verdwijnen er hier en daar opnieuw wel wat, omdat het niet lukt. Of omdat het niet het juiste moment is, en het van de lokale trekkers toch wel energie en tijd vraagt. Lijkt me allemaal heel menselijk.
In Vlaanderen zijn er ondertussen meer dan 300.000 bezoekers geweest op de website van de beweging ((www.transitie.be), en talloze inloopweekends. Het typische aan dit soort beweging is ook dat ze zelf-organiserend is: transition towns wordt niet centraal aangestuurd, er zijn hooguit mensen die wat proberen te faciliteren en ondersteunen. Het is meer iets dat zich bottom-up als een lopend vuurtje verspreidt, niet iets wat hiërarchisch en top-down geïmplementeerd wordt.

V. Hoe staat dat bottom-up-idee van transition towns in verhouding met politieke systemen? Op gespannen voet?

A. Interessante vraag. In zekere zin is transition towns a-politiek en heel erg politiek tegelijkertijd. Men probeert niet onmiddellijk via de bestaande mogelijkheden te wegen op een beleid, of dat beleid en het bestuur via politieke keuzes te beïnvloeden. Men is behoorlijk voorzichtig om zich met partijpolitiek te moeien, en het zijn ook niet de lokale gemeentebesturen of stadsbesturen die de initiatieven nemen – hoewel het misschien wel kan dat het om dezelfde mensen gaat, maar dan niet vanuit hun hoedanigheid van bestuurder. Nee, het beeld is eerder dat men zelf de koe bij de horens vat (niet wacht op de overheid) en lokaal die dingen probeert te verwezenlijken die het ‘goede leven’ tot stand brengen en toch minder energie vragen. Op die manier is het dus wel heel erg politiek – maar dan in een veel bredere betekenis van het woord. Misschien claimen mensen op die manier wel hun eigen politiek terug.
Twee jaar geleden vroeg men me wat ik vond van de klimaattop in Cancun: of dat soort dingen zinnig is, en een verschil kan maken. Dat zullen we allicht nooit weten, maar dat zullen we allicht ook nooit van transition towns weten. Het gevaarlijke punt is volgens mij dat mensen beginnen denken dat er één juiste manier bestaat om heel complexe problemen als energieschaarste en klimaatverandering en sociale ongelijkheid aan te pakken. Wie een beetje naar ecologie kijkt, die merkt dat ze leeft van de diversiteit: de bevruchting (binnen een ecologisch systeem) wordt bijvoorbeeld kwetsbaar-gevaarlijk afhankelijk als je daarvoor enkel nog een beroep zou kunnen doen op bijen. Een transitie die zweert bij één manier hangt aan slechts één draadje. Voor mijn part: laten we dus maar top-down met bottom-up combineren – wat betekenen die termen overigens? Voor mij mag het ook diagonaal, inside-out, ondersteboven, van rechts naar linksonder, binnenstebuiten, overbruggend, enzomeer zijn, naast top-down en bottom-up. De hele diversiteit. En het is volgens mij ook belangrijk dat mensen in hun eigen kracht zitten, hun eigen talent aanwenden (dat is heel erg in de filosofie van transition towns): laat de dansers dansen voor een nieuwe wereld, en de dichters dichten. Misschien moeten wij niet andere dingen gaan doen, maar de dingen die we doen anders doen, of we nu leraar, politicus, bedrijfsmens, verpleegster of loodgieter zijn. Misschien is dat wel persoonlijke spirituele politiek.

Iemand uit het publiek beaamt dat: “Ook mensen in de Tweede Kamer willen wel eens wat goed doen”.

Kees Both dankt de spreker dat hij zo’n complex verhaal als dit zo duidelijk heeft neergezet.

Rudy Dhont en Kees Both

Rudy Dhont,  oktober 2012

>> De lezing en het gesprek zijn ook verschenen in een mooie brochure met dezelfde titel.

 

Terug       Omhoog

18 december 2012